In dit schilderij
- Zwartgevlekte, rottende aardappelen: de oogst die verloren ging.
- Een korst roggebrood: ook het graan mislukte in 1846.
- De lege lepel: honger in een arm gezin.
- Het olielampje: een klein lichtpunt in een donkere tijd.
- Door het raam de akker met zwart, afgestorven loof.
Aardappelziekte en honger
In de zomer van 1845 verkleurde het loof van de aardappelplanten in een paar dagen tijd zwart. De knollen rotten weg in de grond. Voor arme gezinnen, die bijna alleen nog aardappelen aten, betekende dat honger. Het was de laatste grote voedselcrisis in vredestijd in Nederland, en de ziekte zelf is nooit verdwenen.
In de zomer van 1845 verkleurde het loof van de aardappelplanten binnen enkele dagen zwart, en de knollen rotten in de grond weg. Voor arme gezinnen, die vrijwel alleen nog van aardappelen leefden, betekende dat honger, zeker toen ook de rogge mislukte. Het was de laatste grote voedselcrisis in vredestijd in Nederland. De ziekteverwekker zelf is nooit verdwenen: de strijd tussen teler en ziekte duurt tot vandaag.
Het volksvoedsel
In de achttiende en vroege negentiende eeuw werd de aardappel het voedsel van de armen. Een akker met aardappelen leverde veel meer eten op dan dezelfde akker met graan, al vroeg hij bijna vier keer zoveel werk als tarwe. In het Gelderse rivierengebied stond in 1845 op ruim een kwart van het bouwland aardappelen, in de Bommelerwaard zelfs op 59 procent.1 Die afhankelijkheid maakte mensen kwetsbaar: als de aardappel mislukte, was er weinig om op terug te vallen.
Het gewas zelf was ook kwetsbaar. Aardappelen worden vermeerderd uit knollen van het jaar ervoor. Alle planten van een ras zijn dus genetisch gelijk. Een ziekte die één plant kon aantasten, kon zo een heel ras en een heel land treffen.
Een onbekende ziekte
In 1845 dook een nieuwe ziekte op in West-Europa. De eerste meldingen kwamen in juni uit de buurt van Kortrijk, in België. De ziekte kwam waarschijnlijk met een lading pootaardappelen over de Atlantische Oceaan mee. Waar de ziekte oorspronkelijk vandaan komt, Mexico of de Andes, is nog omstreden.2 Het natte zomerweer hielp haar om zich snel te verspreiden. Bladeren kregen bruine vlekken, het loof stierf af, en de knollen werden zacht en gingen stinken.
Niemand wist wat de oorzaak was. Sommigen dachten aan het weer, anderen aan bedorven lucht of aan uitputting van het gewas. In de jaren 1860 toonde de Duitse onderzoeker Anton de Bary aan dat een schimmelachtig organisme de boosdoener was.3 In 1876 kreeg het de naam Phytophthora infestans: de aanvallende plantenvernietiger.2
Honger en onrust
In 1845 ging zo'n driekwart van de Nederlandse aardappeloogst verloren. In de twee jaren daarna mislukte ook de rogge. De prijzen van voedsel schoten omhoog, terwijl de lonen gelijk bleven. In 1847 braken broodrellen uit, onder meer in Groningen. Armbesturen en kerken deelden soep en brood uit. Volgens een recente schatting kostte de hongersnood zo'n 53.000 mensen het leven, door honger en door ziekten die verzwakte mensen niet konden doorstaan.4 Nooit eerder telde Nederland zoveel armen als in deze jaren.5
Het zwaarst getroffen waren landarbeiders en kleine telers op de klei. In Noordwest-Friesland mislukte de oogst volledig; in 1847 kreeg 19 procent van de Friezen armenzorg.6 In de Bommeler- en Tielerwaard kwam landelijke hulp te laat.7 Op het zand in het oosten viel de schade mee; boeren daar verkochten hun aardappelen juist duur aan het westen.8
Er werden ook 10 tot 20 procent minder kinderen geboren. Rond 1847 en 1848 kromp de bevolking van Nederland zelfs even.9 In Ierland, waar mensen nog afhankelijker waren van de aardappel, liep het uit op een ramp met zo'n miljoen doden en een nog grotere uittocht.10
Vertrekken of volhouden
Een deel van de Nederlanders zocht een uitweg over zee. In de jaren na 1846 vertrokken groepen naar de Verenigde Staten, onder wie veel afgescheiden protestanten die ook om hun geloof weggingen. Dominee Albertus van Raalte vertrok in 1846 met een groep, vooral uit Ommen en Hellendoorn, en stichtte het plaatsje Holland in Michigan.11 In 1847 stichtte dominee Hendrik Scholte met ongeveer 800 landverhuizers Pella in Iowa.12 Armoede, honger en de wens om vrij te geloven gingen bij hen samen.
De lange strijd
Op het land begon een lange strijd tegen de ziekte. Boeren en kwekers zochten naar rassen die er beter tegen bestand waren. In 1885 beschreef de Franse plantkundige Pierre-Marie-Alexis Millardet de Bordeauxse pap, een mengsel van kopersulfaat en kalk tegen schimmel op druiven. Daarna werd het middel ook op aardappelen gespoten.13 Toch duurde het tot rond 1890 voordat de aardappelopbrengst per hectare weer het niveau van vóór 1845 haalde.14
Sindsdien is de strijd tussen teler en ziekteverwekker nooit opgehouden. Resistente rassen helpen, maar meestal alleen tegen een deel van de varianten van de ziekteverwekker, en die past zich aan.2 Een resistentie kan na een paar jaar worden doorbroken. Gangbare telers spuiten in natte zomers vaak. Biologische telers mogen veel middelen niet gebruiken. Zij zetten in op resistente rassen en verwijderen het loof als de ziekte toeslaat.
Een gewas voor de armen
In de achttiende en vroege negentiende eeuw groeide de aardappel uit tot het volksvoedsel van de armen. Een akker met aardappelen leverde veel meer voedsel op dan dezelfde akker met graan, al vroeg hij bijna vier keer zoveel werk als tarwe, omdat de grond met de spade werd bewerkt. Juist dat maakte het gewas aantrekkelijk voor landarbeiders en kleine boeren: zij hadden weinig grond, maar wel arbeid. Vaak teelden ze hun aardappelen op een stukje land van een grotere boer, als dat in diens vruchtwisseling paste.1,6
In sommige streken werd die afhankelijkheid extreem. In het Gelderse rivierengebied stond in 1845 op ruim een kwart van het bouwland aardappelen, in de Bommelerwaard zelfs op 59 procent.1 Ook in Noordwest-Friesland was de aardappel het belangrijkste gewas geworden; de Friese akkerbouwstreken voorzagen voor een groot deel de Hollandse steden van aardappelen.6,20 Wie zo leunt op één gewas, heeft weinig om op terug te vallen als dat gewas mislukt.
Het gewas was bovendien biologisch kwetsbaar. Aardappelen worden vermeerderd uit knollen van het jaar ervoor, zodat alle planten van een ras genetisch gelijk zijn. Een ziekte die één plant kan aantasten, kan zo een heel ras en een heel land treffen.
Een onbekende ziekte
In 1845 dook in West-Europa een nieuwe plantenziekte op. De eerste meldingen kwamen in juni uit de omgeving van Kortrijk, in België. De ziekteverwekker kwam waarschijnlijk met een lading pootaardappelen over de Atlantische Oceaan mee; of hij oorspronkelijk uit Mexico of uit de Andes stamt, is nog altijd omstreden.2 Het natte zomerweer bevorderde een snelle verspreiding. Bladeren kregen bruine vlekken, het loof stierf af, en de knollen werden zacht en gingen stinken.
Over de oorzaak tastte men in het duister. Sommigen wezen naar het weer, anderen naar bedorven lucht of naar een 'uitputting' van het gewas. Pas in de jaren 1860 toonde de Duitse onderzoeker Anton de Bary aan dat een schimmelachtig organisme de boosdoener was.3 In 1876 kreeg het de naam Phytophthora infestans: de aanvallende plantenvernietiger.2
Honger, duurte en onrust
In 1845 ging naar schatting driekwart van de Nederlandse aardappeloogst verloren, en in de twee jaren daarna mislukte ook de rogge. Doordat de aardappelprijzen de pan uit rezen, stegen ook de prijzen van ander voedsel, terwijl de lonen gelijk bleven.6 In 1847 braken broodrellen uit, onder meer in Groningen. Armbesturen en kerken deelden soep en brood uit. Volgens een recente schatting kostte de hongersnood zo'n 53.000 mensen het leven, door honger en door ziekten die verzwakte mensen niet konden doorstaan.4 Nooit eerder telde Nederland zoveel armen als in de jaren 1845–1847.5
De crisis trof niet iedereen even hard. Het zwaarst getroffen waren landarbeiders en kleine telers op de klei. In Noordwest-Friesland mislukte de oogst volledig; in 1847 ontving 19 procent van de Friezen armenzorg.6 In Zeeland viel de aardappelziekte samen met een crisis in de meekrapteelt, wat de werkloosheid verder opdreef. Van Zanden wijst erop dat de ellende juist daar het grootst was waar weinig boeren hun eigen grond bezaten: bij openbare verpachting dreven boerenzonen de pacht op, en boeren bezuinigden daarna op loon.20 Elders konden telers uitwijken naar vroeger gepote rassen, die minder last van de ziekte hadden. In het rivierengebied lukte dat nauwelijks, door de kwel: water dat onder de dijken door in de polders opwelt. Een landelijke hulpactie voor de Bommeler- en Tielerwaard kwam te laat.7
Op de zandgronden in het oosten viel de schade mee: de opbrengst per hectare daalde er met 10 tot 20 procent. Boeren in het oosten verkochten hun aardappelen zelfs met winst aan de steden in het westen.8 De crisis was dus ook een verhaal van regionale verschillen in bodem, gewas en sociale verhoudingen.
De demografische gevolgen waren duidelijk zichtbaar. Er werden 10 tot 20 procent minder kinderen geboren, en rond 1847 en 1848 kromp de bevolking van Nederland zelfs even.9 In Ierland, waar mensen nog afhankelijker waren van de aardappel, liep het uit op een ramp met zo'n miljoen doden en een nog grotere uittocht.10 Elders in Europa had de misoogst ook politieke gevolgen: Groot-Brittannië schafte zijn invoerrechten op graan, de Corn Laws, af, wat een periode van vrijhandel inluidde.17
Vertrekken of volhouden
Een deel van de Nederlanders zocht een uitweg over zee. In de jaren na 1846 vertrokken groepen naar de Verenigde Staten, onder wie veel afgescheiden protestanten die ook om hun geloof weggingen. Dominee Albertus van Raalte vertrok in 1846 met een groep, vooral uit Ommen en Hellendoorn, en stichtte het plaatsje Holland in Michigan.11 In 1847 stichtte dominee Hendrik Scholte met ongeveer 800 landverhuizers Pella in Iowa.12 Bij hen vielen armoede, honger en de wens om vrij te geloven samen; het is moeilijk om die motieven van elkaar te scheiden.
Een strijd zonder einde
Op het land begon een lange strijd tegen de ziekte. Boeren en kwekers zochten naar rassen die er beter tegen bestand waren. In 1885 beschreef de Franse plantkundige Pierre-Marie-Alexis Millardet de Bordeauxse pap, een mengsel van kopersulfaat en kalk tegen schimmel op druiven; daarna werd het middel ook op aardappelen gespoten.13 Het herstel ging traag. Volgens Van Zanden haalde de aardappelopbrengst per hectare pas rond 1890 weer het niveau van vóór 1845.14 Bieleman, die naar de kleigronden kijkt, legt dat moment zelfs rond 1900.6
Sindsdien is de wedloop tussen teler en ziekteverwekker nooit opgehouden. Resistente rassen helpen, maar meestal alleen tegen een deel van de varianten van de ziekteverwekker, en die past zich voortdurend aan.2 Een resistentie kan daardoor na enkele jaren worden doorbroken. Gangbare telers spuiten in natte zomers vaak; midden jaren tachtig ging twee derde van alle schimmelbestrijdingsmiddelen in Nederland naar deze ene ziekte.15 Biologische telers mogen veel middelen niet gebruiken. Zij zetten in op resistente rassen en verwijderen het loof zodra de ziekte toeslaat. Zo blijft een ziekte uit 1845 een actueel vraagstuk over gewasbescherming en veredeling.
- De crisis liet zien hoe kwetsbaar een samenleving is die afhangt van één gewas. Sommige historici zien haar als de laatste klassieke bestaanscrisis van Europa.16 Voedselzekerheid werd een vraag voor de overheid. Zie ook Oorlog en wederopbouw.
- De misoogst van 1845 bracht Groot-Brittannië ertoe zijn invoerrechten op graan, de Corn Laws, af te schaffen. Andere landen volgden, en een tijdperk van vrijhandel brak aan, waar Nederlandse veehouders na 1850 van profiteerden.17
- De zoektocht naar de oorzaak hielp de plantenziektekunde op gang. Onderzoek naar resistente rassen loopt nog altijd, onder meer in Wageningen en de voorlichting.
- Nederland werd een grote exporteur van pootaardappelen. De Friese export groeide van 5.000 ton per jaar in 1921–1925 naar bijna 131.000 ton in 1936–1940.18 Tegelijk is de aardappel het gewas waarop de meeste middelen tegen schimmelziekten worden gebruikt.15 Zie Gewasbescherming onder vuur.
- Hoe je de ziekte bestrijdt, met chemie, met resistente rassen of met nieuwe veredelingstechnieken, is een open debat. Zie ook Voorschrift of doel?.
- Nederlandse gemeenschappen in de Verenigde Staten, zoals Holland en Pella, houden hun herkomst nog altijd levend, bijvoorbeeld met jaarlijkse tulpenfeesten.12
Vier perspectieven
De arbeider
Voor een landarbeider of wever was de aardappel het enige betaalbare voedsel. Toen de oogst mislukte en het brood duurder werd, bleef er niets over. Honger, bedelen of vertrekken waren de opties. Wie bleef, was afhankelijk van de bedeling van kerk of armbestuur. Daar hoorden vaak voorwaarden en toezicht bij. Voor sommigen was woede op de markt de enige manier om zich te laten horen.
De boer
Boeren met eigen land en vee kwamen de crisis vaak beter door. Wie graan te koop had, verdiende soms zelfs aan de hoge prijzen. Maar ook zij stonden machteloos tegenover een ziekte die niemand begreep. Het dichtst bij de rand zaten de kleine telers en landarbeiders op de klei, die aardappelen voor de markt verbouwden en weinig reserves hadden. Op het zand, waar de ziekte minder hard toesloeg, verdienden sommige boeren juist aan de dure aardappel.
De wetenschapper
Onderzoekers zagen een raadsel. Was het weer de oorzaak, of zat er iets levends achter? Het antwoord van De Bary hielp het idee vestigen dat micro-organismen planten ziek kunnen maken. Daarop bouwen plantenveredelaars nog altijd voort. Toch is de race nooit gewonnen. Elke nieuwe resistentie wordt na verloop van tijd door de ziekteverwekker doorbroken, en dan begint het zoeken opnieuw.
De overheid
De regering zag voor de staat maar een kleine rol. De zorg voor de armen lag vooral bij kerken en gemeenten. Wel werd de invoer van graan makkelijker gemaakt. Critici vonden dat te weinig, anderen vonden dat de markt en de liefdadigheid het werk moesten doen. De vraag hoeveel de overheid moet doen als voedsel schaars wordt, keert sindsdien steeds terug.
De arbeider
Voor een landarbeider of wever was de aardappel het enige voedsel dat hij zich kon veroorloven. Toen de oogst mislukte en tegelijk het brood duurder werd, bleef er niets over. Honger, bedelen of vertrekken waren de opties. Wie bleef, was afhankelijk van de bedeling van kerk of armbestuur, en daar hoorden vaak voorwaarden en toezicht bij. Bovendien drukten boeren in sommige streken juist in deze jaren de lonen om hun hoge pacht te kunnen betalen. Voor sommigen was woede op de markt de enige manier om zich te laten horen.
De boer
Boeren met eigen land en vee kwamen de crisis meestal beter door. Wie graan te koop had, verdiende soms zelfs aan de hoge prijzen. Maar ook zij stonden machteloos tegenover een ziekte die niemand begreep. Het dichtst bij de rand zaten de kleine telers op de klei, die aardappelen voor de markt verbouwden en weinig reserves hadden, en de pachters die hun pacht moesten blijven betalen. Op het zand, waar de ziekte minder hard toesloeg, verdienden sommige boeren juist aan de dure aardappel.
De wetenschapper
Onderzoekers stonden voor een raadsel. Was het weer de oorzaak, of zat er iets levends achter? Het antwoord van De Bary hielp het inzicht vestigen dat micro-organismen planten ziek kunnen maken, een fundament van de plantenziektekunde. Daarop bouwen plantenveredelaars nog altijd voort. Toch is de wedloop nooit gewonnen. Elke nieuwe resistentie wordt na verloop van tijd door de ziekteverwekker doorbroken, en dan begint het zoeken opnieuw, nu ook met nieuwe veredelingstechnieken.
De overheid
De regering zag voor de staat maar een bescheiden rol. De zorg voor de armen lag vooral bij kerken en gemeenten, en de staat greep nauwelijks in de markt in. Wel werd de invoer van graan gemakkelijker gemaakt. Critici vonden dat te weinig; anderen vonden dat de markt en de liefdadigheid het werk moesten doen. De vraag hoeveel de overheid moet doen als voedsel schaars wordt, en wie dan het eerst geholpen moet worden, keert sindsdien steeds terug.
- De bekendste Nederlandse aardappel, Bintje, werd in 1905 gekweekt door schoolmeester Kornelis Lieuwes de Vries in het Friese Suameer. Hij noemde het ras naar een van zijn leerlingen, de toen 17-jarige Bintje Jansma.19
- Phytophthora betekent letterlijk 'plantenvernietiger', uit het Grieks. Infestans komt van een Latijns werkwoord voor 'aanvallen'.2
- In Pella, Iowa, gesticht door Nederlandse landverhuizers in 1847, wordt elk voorjaar een tulpenfeest gehouden. In 2010 dansten daar ruim 2.600 mensen tegelijk op klompen, een wereldrecord.12
- De Bordeauxse pap werd uitgevonden tegen schimmel op druiven, niet op aardappelen. Wijnboeren rond Bordeaux spoten het al langs de weg, om voorbijgangers van hun druiven af te houden. Die wijnstokken bleken vrij van schimmel.13
Een land dat leunt op één gewas, of op één manier van boeren, is kwetsbaar. Hoe afhankelijk zijn we nu, en van wat?
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 109–110. ↩
- Wikipedia (en), 'Phytophthora infestans' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Heinrich Anton de Bary' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Radboud Universiteit, onderzoeksproject 'De hongersnood van 1845-1848 in Vlaanderen en Nederland' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 83. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 102–103. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 110. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 46. ↩
- Wikipedia (en), 'European Potato Failure' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Great Famine (Ireland)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
- Wikipedia (nl), 'Albertus van Raalte' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Pella, Iowa' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Bordeaux mixture' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 21. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 267–268. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 314. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 150. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 173. ↩
- Wikipedia (nl), 'Bintje' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 81.
Verder lezen
- M. Bergman, 'The Potato Blight in the Netherlands and its Social Consequences (1845–1847)', International Review of Social History (1967).
- C. Ó Gráda, R. Paping en E. Vanhaute (red.), When the Potato Failed. Causes and Effects of the 'Last' European Subsistence Crisis, 1845–1850 (2007).