In dit schilderij
- De kaart van de Beemster met het strakke raster van kavels.
- De munten: het geld van Amsterdamse kooplieden.
- De passer en de ganzenveer: landmeten en plannen.
- De rij windmolens langs de dijk, die het water in trappen wegmalen.
- Het koopmanshuis: de stad als eigenaar van het nieuwe land.
Droogmakerijen
In 1612 viel de bodem van het Beemstermeer droog. Amsterdamse kooplieden hadden het geld gegeven, molenmaker Jan Adriaanszoon Leeghwater adviseerde bij de bouw van de molens. Waar eerst water was, lag nu een polder van ruim 7.000 hectare vruchtbare klei. Het was het begin van een golf van droogmakerijen in Noord-Holland.
In 1612 viel de bodem van het Beemstermeer droog. Amsterdamse kooplieden hadden het geld gegeven, molenmaker Jan Adriaanszoon Leeghwater adviseerde bij de bouw van de molens. Waar eerst water was, lag nu een polder van ruim 7.000 hectare vruchtbare klei. Het was het begin van een golf van droogmakerijen in Noord-Holland, gedreven door stedelijk kapitaal dat op zoek was naar rendement.
Meren die vraten
Noord-Holland boven het IJ was begin zestiende eeuw een archipel van eilanden geworden. De meren waren deels ontstaan door het afgraven en uitbaggeren van veen en het afslaan van oevers. Bij storm vraten ze land weg en bedreigden ze dorpen. Eerst werden kleinere meren drooggemaakt, voor de veiligheid. Later zagen kooplieden er ook een kans in: onder het water lag vruchtbare grond, en land werd steeds duurder.1
Het idee was niet helemaal nieuw. In of kort na 1533 werd bij Alkmaar het kleine Achtermeer drooggemaakt. Het wordt vaak de oudste droogmakerij genoemd, al is die titel niet onomstreden.2 Maar de Beemster was van een heel andere orde.
Geld uit de stad
De Republiek was rijk geworden door handel. Kooplieden zochten nieuwe plekken om hun geld te beleggen. In 1607 gaven de Staten van Holland en West-Friesland een groep burgemeesters en kooplieden toestemming om de Beemster droog te malen. Onder hen waren Dirck van Os en Willem Usselincx, die later aan de wieg stond van de West-Indische Compagnie.3 De grootste geldschieters waren Dirck van Os en zijn broer Hendrick: Amsterdamse kooplieden uit Antwerpen en grootaandeelhouders in de VOC.4 Wie geld inbracht, kreeg straks grond in de nieuwe polder.
Het werk was riskant. In 1610 brak de Waterlandse Zeedijk door, en het bijna drooggemalen meer liep weer vol met water uit de Zuiderzee. De investeerders zetten door. Ze lieten de ringdijk ophogen tot ongeveer een meter boven het land eromheen. Op 19 mei 1612 was de Beemster droog.3
Molens in een rij
De technische motor was de windmolen. Bij het droogvallen stonden er 43 molens.4 Uiteindelijk waren er vijftig nodig om de polder droog te houden.3 Omdat één molen het water niet hoog genoeg kon opvoeren, werkten ze in trappen: de ene molen maalde het water naar de volgende, tot het in de ringvaart stroomde.
Jan Adriaanszoon uit De Rijp, die zich Leeghwater noemde, hield toezicht op de molens. Later is zijn rol vaak groter gemaakt dan hij was, ook door hemzelf. Onderzoek in de archieven wijst erop dat hij minder bij de projecten betrokken was dan hij in zijn eigen geschriften beweerde.5
De nieuwe polder kreeg een strak patroon van wegen, sloten en kavels, in zuivere vierkanten. Dat raster past bij de Renaissance, een tijd waarin men schoonheid zocht in geometrie.4 Het is nog steeds te zien en staat sinds 1999 op de werelderfgoedlijst van UNESCO.6
Een golf van droogmakerijen
Het succes van de Beemster leidde tot meer projecten. Binnen 25 jaar volgden de Purmer (1622), de Wijde Wormer (1626), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635). Samen met de Beemster (7.100 hectare) leverden ze bijna 20.000 hectare nieuw land op.7 Er was plaats voor meer dan 1.400 nieuwe boerderijen van gemiddeld 13 tot 26 hectare.1 In de eerste helft van de zeventiende eeuw was het oppervlak aan droogmakerijen in Holland en Utrecht ongeveer twaalf keer zo groot als in de halve eeuw ervoor.8
De Schermer werd tussen 1633 en 1635 drooggemalen, met in totaal 52 molens.9 Leeghwater droomde zelfs van het droogmalen van het Haarlemmermeer, en schreef daar in 1641 een boek over. Dat lukte pas twee eeuwen later met stoom (zie Haarlemmermeer: droog met stoom).5
Elke droogmakerij had ook gevolgen voor de buren. Een meer was een opslagplaats voor water. Toen de Schermer verdween, ging ruim 6.300 hectare bergingsruimte verloren. Er moesten nieuwe afvoerkanalen komen, met een sluis bij Nauerna aan het IJ.9
De investeerders hoopten eerst op akkerbouw met winstgevende oliegewassen als koolzaad en raapzaad. Maar met de techniek van toen bleef de polder te nat. In maart 1637 stond de Schermer zo onder water dat alle gezaaide gewassen verloren gingen. De pachters schakelden daarom al snel over op veeteelt.10 Rijke Amsterdammers bouwden er buitenplaatsen met tuinen. Land was voor hen een belegging en een statussymbool tegelijk. Rond 1800 waren de meeste van die buitenplaatsen alweer verdwenen.3
Meren die vraten
Noord-Holland boven het IJ was begin zestiende eeuw een archipel van eilanden geworden. De meren waren deels ontstaan door het afgraven en uitbaggeren van veen en het afslaan van oevers. Bij storm vraten ze land weg en bedreigden ze dorpen. Eerst werden kleinere meren drooggemaakt, vooral voor de veiligheid. Later zagen kooplieden er ook een economische kans in: onder het water lag vruchtbare grond, en land werd steeds duurder.1
Het idee was niet helemaal nieuw. In of kort na 1533 werd bij Alkmaar het kleine Achtermeer drooggemaakt. Het wordt vaak de oudste droogmakerij genoemd, al is die titel niet onomstreden.2 In 1561 maakte Klaas Hendrikszoon uit Alkmaar het Vroonmeer droog; volgens Jan de Vries liet dat project zien dat de overheid zulke plannen zou steunen. Het eerste grote project was de Zijpe, een overstroomd kustgebied, vanaf 1596. Daar werkten meer dan 3.000 arbeiders en 1.000 paarden, en de Staten van Holland gaven de investeerders voor vijf tot twintig jaar vrijstelling van belastingen.12 Maar de Beemster was van een heel andere orde.
Geld uit de stad
De Republiek was rijk geworden door handel. Kooplieden zochten nieuwe mogelijkheden om hun kapitaal te beleggen. In 1607 gaven de Staten van Holland en West-Friesland een groep burgemeesters en kooplieden toestemming om de Beemster droog te malen. Onder hen waren Dirck van Os en Willem Usselincx, die later aan de wieg stond van de West-Indische Compagnie.3 De grootste geldschieters waren Dirck van Os en zijn broer Hendrick: Amsterdamse kooplieden uit Antwerpen en grootaandeelhouders in de VOC.4 Ook raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt deed mee. Samen legden de investeerders bijna 1,5 miljoen gulden in.12 Wie geld inbracht, kreeg grond in de nieuwe polder.
Wat dreef hen? Koolzaad was de eerste reden die de investeerders in hun verzoek aan de overheid noemden. De vraag naar lampolie en zeep groeide, en de nieuwe kleigrond leek daar uitstekend geschikt voor.14,12 De Vries waarschuwt dan ook tegen een romantisch beeld van heldhaftige waterbouwers die tegen de zee vochten. De kooplieden die de droogmakerijen financierden, waren in zijn woorden speculanten. De grondprijzen waren rond 1600 sterk gestegen, de techniek om molens in trappen te laten werken maakte de projecten haalbaar, er waren genoeg loonarbeiders, en de handelswinsten zochten een bestemming.12
Het werk was riskant. In 1610 brak de Waterlandse Zeedijk door, en het bijna drooggemalen meer liep weer vol met water uit de Zuiderzee. De investeerders zetten door. Ze lieten de ringdijk ophogen tot ongeveer een meter boven het land eromheen. Op 19 mei 1612 was de Beemster droog.3 De belegging betaalde zich ruim terug: de 123 investeerders ontvingen al snel samen meer dan een kwart miljoen gulden pacht per jaar, een schijnbaar rendement van bijna 17 procent.12
Molens in een rij
De technische motor was de windmolen. Bij het droogvallen stonden er 43 molens.4 Uiteindelijk waren er vijftig nodig om de polder droog te houden.3 Omdat één molen het water niet hoog genoeg kon opvoeren, werkten ze in trappen: de ene molen maalde het water naar de volgende, tot het in de ringvaart stroomde.
Jan Adriaanszoon uit De Rijp, die zich Leeghwater noemde, hield toezicht op de molens. Later is zijn rol vaak groter gemaakt dan hij was, ook door hemzelf. Onderzoek in de archieven wijst erop dat hij minder bij de projecten betrokken was dan hij in zijn eigen geschriften beweerde.5
De nieuwe polder kreeg een strak patroon van wegen, sloten en kavels, in zuivere vierkanten. Dat raster past bij de Renaissance, een tijd waarin men schoonheid zocht in geometrie.4 Het is nog steeds te zien en staat sinds 1999 op de werelderfgoedlijst van UNESCO.6
Een golf van droogmakerijen
Het succes van de Beemster trok nieuwe beleggers aan, ook in kleinere steden.12 Binnen 25 jaar volgden de Purmer (1622), de Wijde Wormer (1626), de Heerhugowaard (1630) en de Schermer (1635). Samen met de Beemster (7.100 hectare) leverden ze bijna 20.000 hectare nieuw land op.7 Er was plaats voor meer dan 1.400 nieuwe boerderijen van gemiddeld 13 tot 26 hectare.1 In de eerste helft van de zeventiende eeuw was het oppervlak aan droogmakerijen in Holland en Utrecht ongeveer twaalf keer zo groot als in de halve eeuw ervoor.8 Tussen 1590 en 1650 werd alleen al in het Noorderkwartier minstens tien miljoen gulden in droogmakerijen gestoken. Dat is vergelijkbaar met het kapitaal van de VOC en de WIC samen.13
De Schermer werd tussen 1633 en 1635 drooggemalen, met in totaal 52 molens.9 Er ging ruim 1,1 miljoen gulden in om, voor het grootste deel uit Alkmaar.12 Leeghwater droomde zelfs van het droogmalen van het Haarlemmermeer, en schreef daar in 1641 een boek over. Dat lukte pas twee eeuwen later met stoom (zie Haarlemmermeer: droog met stoom).5
Winnaars en verliezers
Elke droogmakerij had ook gevolgen voor de omgeving. Een meer was een opslagplaats voor water. Toen de Schermer verdween, ging ruim 6.300 hectare bergingsruimte verloren. Er moesten nieuwe afvoerkanalen komen, met een sluis bij Nauerna aan het IJ.9 Ook verdwenen visgronden en veranderden vaarroutes. Belastingvrijstellingen en onteigeningen waren nodig om de plannen door te zetten, en dat leidde tot felle conflicten.12
De investeerders hoopten eerst op akkerbouw met winstgevende oliegewassen als koolzaad en raapzaad. Maar met de techniek van toen bleef de polder te nat. In maart 1637 stond de Schermer zo onder water dat alle gezaaide gewassen verloren gingen. De pachters schakelden daarom al snel over op veeteelt.10 Rijke Amsterdammers bouwden er buitenplaatsen met tuinen. Land was voor hen een belegging en een statussymbool tegelijk. Rond 1800 waren de meeste van die buitenplaatsen alweer verdwenen.3
Na het midden van de zeventiende eeuw daalde de winstgevendheid van landbouwgrond, en het droogmaken kwam vrijwel tot stilstand.12 Het tempo van de inpolderingen hing dus sterk af van de verwachte opbrengst: zolang land meer opbracht, vloeide er kapitaal naar het water.
- Het idee dat je land kunt maken met techniek en kapitaal werd een Nederlands handelsmerk. Zie Haarlemmermeer: droog met stoom en Het nieuwe land.
- Droogmakerijen liggen diep en moeten voortdurend worden bemalen. Eind negentiende eeuw namen in de Beemster drie stoomgemalen het werk van de molens over.3 Later kwamen er elektrische gemalen. Het waterbeheer kost tot vandaag geld en energie. Zie Waterschappen.
- Het planmatige ontwerp van de Beemster is een vroeg voorbeeld van ruimtelijke ordening in Nederland. Het diende als voorbeeld voor latere projecten, zoals de IJsselmeerpolders.4
- De melk uit de Beemster wordt al ruim een eeuw coöperatief verwerkt tot Beemster kaas.11 Zie Coöperaties en boerenleenbanken.
- De verwevenheid van stedelijk kapitaal en landbouwgrond speelt nog steeds, bijvoorbeeld in discussies over grondprijzen en wie grond bezit. Zie Duur land, smalle marges.
Vier perspectieven
De belegger
Voor de Amsterdamse koopman was de Beemster een investering. Hij nam een groot risico, zoals de dijkdoorbraak van 1610 liet zien. Als het lukte, bracht de grond pacht en aanzien op. Een buitenplaats in de polder liet zien dat hij het gemaakt had. Zijn succes moedigde andere beleggers aan om in nieuwe droogmakerijen te stappen.
De pachter
Op de nieuwe grond werkten vaak pachters, niet de eigenaars. Zij hadden vruchtbare klei, maar betaalden pacht aan een eigenaar in de stad. De winst van het land kwam deels buiten de polder terecht. Wel kregen zij de kans op een eigen bedrijf op goede grond, in een tijd dat land in Holland schaars en duur was.
Het water
Waar eerst een meer was met vis en watervogels, kwam akker en wei. Het water verdween niet: het moest steeds weer worden weggemalen. Een droogmakerij blijft afhankelijk van pompen. En het water dat niet meer in het meer kon, moest elders een plek vinden, bij de buren of in nieuwe kanalen.
De overheid
De Staten en het Hof van Holland gaven toestemming en regelden de rechten. Het werk zelf werd betaald en geleid door particulieren. Overheid en ondernemers maakten samen land. De overheid moest ook waken over de belangen van de omgeving, zoals de afvoer van water en de veiligheid van dijken.
De belegger
Voor de Amsterdamse koopman was de Beemster een investering met een hoog risico en een hoog rendement. De dijkdoorbraak van 1610 liet zien hoe snel het mis kon gaan. Als het lukte, bracht de grond pacht en aanzien op. Een buitenplaats in de polder liet zien dat hij het gemaakt had. Zijn succes trok andere beleggers aan, tot land na 1650 minder opbracht en het kapitaal zich weer terugtrok.
De pachter
Op de nieuwe grond werkten vaak pachters, niet de eigenaars. Zij hadden vruchtbare klei, maar betaalden pacht aan een eigenaar in de stad. De winst van het land kwam deels buiten de polder terecht. Wel kregen zij de kans op een eigen bedrijf op goede grond, in een tijd dat land in Holland schaars en duur was. Toen de akkerbouw mislukte, waren zij het die zich moesten aanpassen en overstapten op vee.
Het water
Waar eerst een meer was met vis en watervogels, kwam akker en wei. Vissers verloren hun visgronden. Het water verdween niet: het moest steeds weer worden weggemalen. Een droogmakerij blijft afhankelijk van bemaling. En het water dat niet meer in het meer kon, moest elders een plek vinden, bij de buren of in nieuwe kanalen.
De overheid
De Staten en het Hof van Holland gaven toestemming en regelden de rechten. Het werk zelf werd betaald en geleid door particulieren. Overheid en ondernemers maakten samen land, en de overheid lokte investeerders met belastingvoordelen. Tegelijk moest ze waken over de belangen van de omgeving, zoals de afvoer van water, de veiligheid van dijken en het bestaan van vissers en schippers.
- Ongeveer 70 procent van Nederland is polder. Een droogmakerij is een bijzonder soort polder: een drooggemalen meer.7
- Buiten Nederland zijn droogmakerijen vrij zeldzaam. Nederlanders als Vermuyden in Engeland brachten de techniek over de grens.4
- In de Beemster liggen vijf forten van de Stelling van Amsterdam. In 1940 en 1944 werd een inundatiesluis gebruikt om delen van het gebied onder water te zetten.3
- Leeghwater gaf ook advies over droogmakingen in het buitenland, onder meer bij Bordeaux (1628) en bij Dagebüll in Sleeswijk-Holstein (1633).5
- Van de molens in de Schermer staan er nog elf. De laatste werden in 1929 buiten gebruik gesteld, toen elektrische gemalen het werk overnamen.9
De Beemster werd drooggemaakt omdat stedelijke beleggers er rendement in zagen. Wie zou nu moeten bepalen hoe we landbouwgrond gebruiken: de markt, de overheid of de boer?
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 42. ↩
- G.J. Borger, 'De Achtermeer bij Alkmaar, de oudste droogmakerij?', Tijdschrift voor Historische Geografie (2004), nr. 2, p. 37–49, link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Beemster' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- H. Renes, 'Op het water herwonnen. Het droogmakerijenlandschap van de Beemster', Tijdschrift voor Historische Geografie (1998), nr. 3, p. 164–177, link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Jan Adriaanszoon Leeghwater' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Werelderfgoed Nederland, 'Droogmakerij de Beemster' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 43 (box 1.2). ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 57. ↩
- Wikipedia (nl), 'Schermer (droogmakerij)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 42–44 (met noot 51). ↩
- CONO Kaasmakers, 'Over CONO' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 193–194.
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 213.
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 153.
Verder lezen
- G.P. van de Ven (red.), Leefbaar laagland. Geschiedenis van de waterbeheersing en landaanwinning in Nederland (1993).
- J. de Vries en A. van der Woude, Nederland 1500–1815. De eerste ronde van moderne economische groei (1995).