In dit schilderij
- De gietijzeren cilinder van de stoommachine: de nieuwe kracht.
- De balansarmen die de pompen in beweging zetten.
- De stoker bij de vuurmond: steenkool als brandstof.
- De stenen hal van het gemaal, gebouwd als een kasteel.
- Door het raam de kale, natte bodem van het oude meer.
Haarlemmermeer: droog met stoom
De Haarlemmermeer was een groot, woest meer dat steeds meer land opslokte. In de negentiende eeuw besloot de staat het droog te malen, niet met windmolens maar met stoom. In 1852 viel het meer droog. Er ontstond een nieuwe polder van ongeveer 18.000 hectare, waar nu onder meer Hoofddorp en een groot deel van Schiphol liggen.
De Haarlemmermeer was een groot, onstuimig meer dat bij elke storm nieuwe stukken land opslokte. In de negentiende eeuw besloot de staat het droog te malen, niet met windmolens maar met stoom. In 1852 viel het meer droog, en ontstond er een polder van ongeveer 18.000 hectare. Daar liggen nu onder meer Hoofddorp en een groot deel van Schiphol. De droogmaking toonde de kracht van stoom, maar ook hoeveel moeite het kostte om er boerenland van te maken.
De waterwolf
Rond de dertiende eeuw lagen er tussen Haarlem, Leiden en Amsterdam minstens drie veenmeren: het Spieringmeer, het Haarlemmermeer en het Leidsemeer. Door eeuwen van veenwinning en afslag groeiden ze samen tot één groot meer van bijna 17.000 hectare. Bij storm sloegen de golven telkens nieuwe stukken land weg. Mensen noemden het meer de waterwolf.
Al in de zeventiende eeuw waren er plannen om het droog te maken. Molenmaker Jan Adriaanszoon Leeghwater schreef er in 1641 een boek over. Hij rekende op ongeveer 200 windmolens. Maar het meer was te groot en te diep. Pas na twee zware stormen eind 1836, die het water in november tot aan de poorten van Amsterdam en in december tot bij Leiden joegen, besloot koning Willem I in 1837 dat het meer moest verdwijnen.1 Het ging er vooral om de groei van het meer te stoppen, minder om nieuw land te winnen.2
Stoom in de polder
Eerst werd rond het meer een ringdijk aangelegd, met daarbuiten een ringvaart voor het water. In mei 1840 begon het graafwerk bij Hillegom. Na acht jaar was de ringdijk van bijna 60 kilometer gesloten.
Daarna kwamen er drie stoomgemalen: Leeghwater, Lynden en Cruquius. Lynden en Cruquius zijn genoemd naar twee mannen die eerder plannen voor de droogmaking hadden gemaakt.1 Het waren voor die tijd reusachtige machines. De stoommachine van Cruquius werd ontworpen door de Engelse ingenieurs Gibbs en Dean en gebouwd door Harvey & Co in het Engelse Hayle. De cilinder heeft een doorsnede van 3,66 meter. Acht balansarmen tillen bij elke slag ongeveer 64.000 liter water op.3 Samen hadden de drie gemalen een vermogen van zo'n 1.500 paardenkracht.4
Vanaf 1848 en 1849 pompten de gemalen dag en nacht. Op 1 juli 1852 was het meer droog.1 Er was 18.100 hectare nieuw land bij gekomen.5 Wat windmolens in eeuwen niet voor elkaar hadden gekregen, lukte met steenkool en stoom in ruim drie jaar.
Land te koop
De droogmaking kostte ongeveer 14,5 miljoen gulden. De staat verkocht de nieuwe grond op veilingen en haalde daarmee zo'n 8 miljoen gulden op. Het tekort werd later via grondbelasting terugverdiend. Veel kopers waren rijke stedelingen, die het land verpachtten aan boeren.1 Dat de verkoop meeviel, kwam mede doordat een deel van de grond in 1853 werd geveild, een jaar met uitzonderlijk hoge graanprijzen.2 Een van de eerste grondbezitters was Jacob Paulus Amersfoordt. Hij kocht in 1854 zo'n 200 hectare in het noorden van de nieuwe polder, bij Sloten, en begon daar een modern landbouwbedrijf: De Badhoeve. Van 1863 tot 1869 was hij burgemeester van de nieuwe gemeente.6
De eerste bewoners begonnen in een kale vlakte, met weinig wegen, huizen en voorzieningen. De grond moest eerst intensief bewerkt en beter ontwaterd worden, en dat loonde alleen met handelsgewassen. De lonen waren hoog en mest was schaars. Daarom werd er al vroeg geëxperimenteerd met machines en kunstmest: de nieuwe polder was een soort proeftuin.4 Al kort na 1862 trokken de eerste loonbedrijven met stoomdorsmachines door de Haarlemmermeer.7 De overheid had het meer drooggemaakt, maar liet de inrichting van het land grotendeels aan de bewoners en de markt over.
Op 11 juli 1855 werd de Haarlemmermeer een eigen gemeente. Het gemeentehuis stond tot 1867 nog in Heemstede. Daarna verhuisde het naar Hoofddorp, dat eerst Kruisdorp heette.8
Van boerenland tot luchthaven
Langzaam werd de polder een welvarend landbouwgebied, met akkerbouw op de zware klei en later ook veeteelt en tuinbouw. In het westen kwamen bloembollen, in de rest van de polder vooral suikerbieten.9 In 1916 kwam er een militair vliegveld bij, op een plek die al eeuwen Schiphol heette. Schiphol ligt deels op de bodem van het oude meer, enkele meters onder zeeniveau.10
Nu is de Haarlemmermeer een van de drukste gebieden van het land. De landbouw moet er de ruimte delen met woonwijken, bedrijventerreinen en wegen. De gemalen pompen nog altijd, want zonder hen loopt de polder weer vol.
De waterwolf
Rond de dertiende eeuw lagen er tussen Haarlem, Leiden en Amsterdam minstens drie veenmeren: het Spieringmeer, het Haarlemmermeer en het Leidsemeer. Door eeuwen van veenwinning en afslag van de oevers groeiden ze samen tot één groot meer van bijna 17.000 hectare. Bij storm sloegen de golven telkens nieuwe stukken land weg. Mensen noemden het meer daarom de waterwolf.
Plannen om het meer droog te maken waren er al in de zeventiende eeuw. Molenmaker Jan Adriaanszoon Leeghwater schreef er in 1641 een boek over en rekende op ongeveer 200 windmolens. Maar het meer was te groot en te diep voor de techniek van die tijd. Pas na twee zware stormen eind 1836, die het water in november tot aan de poorten van Amsterdam en in december tot bij Leiden joegen, besloot koning Willem I in 1837 dat het meer moest verdwijnen.1 Volgens Van Zanden ging het er daarbij vooral om de groei van het meer te stoppen, en minder om nieuw land te winnen.2
Een golf van nieuw land
De Haarlemmermeer stond niet op zichzelf. Tussen 1800 en 1850 werd in de kustprovincies op verschillende plaatsen land gewonnen, deels aangemoedigd door de hoge graanprijzen rond 1800: de Wilhelminapolder in Zeeland, de Anna Paulownapolder en de Waard- en Groetpolder in Noord-Holland, en polders in Groningen. Vooral na 1840 was er een golf van bedijkingen. De Haarlemmermeer was het spectaculairste voorbeeld, en de stoommachine maakte het mogelijk.2
Stoom in de polder
Eerst werd rond het meer een ringdijk aangelegd, met daarbuiten een ringvaart om het water af te voeren. In mei 1840 begon het graafwerk bij Hillegom. Na acht jaar was de ringdijk van bijna 60 kilometer gesloten.
Daarna kwamen er drie stoomgemalen: Leeghwater, Lynden en Cruquius. Lynden en Cruquius zijn genoemd naar twee mannen die eerder plannen voor de droogmaking hadden gemaakt.1 Het waren voor die tijd reusachtige machines. De stoommachine van Cruquius werd ontworpen door de Engelse ingenieurs Gibbs en Dean en gebouwd door Harvey & Co in het Engelse Hayle. De cilinder heeft een doorsnede van 3,66 meter, en acht balansarmen tillen bij elke slag ongeveer 64.000 liter water op.3 Samen hadden de drie gemalen een vermogen van zo'n 1.500 paardenkracht.4
Vanaf 1848 en 1849 pompten de gemalen dag en nacht. Op 1 juli 1852 was het meer droog.1 Er was 18.100 hectare nieuw land bij gekomen.5 Wat windmolens in eeuwen niet voor elkaar hadden gekregen, lukte met steenkool en stoom in ruim drie jaar.
De Haarlemmermeer was de eerste plek waar stoom op grote schaal werd ingezet om land droog te maken. In bestaande polders kwamen stoomgemalen pas rond 1850. Het Gelderse rivierengebied liep in de jaren vijftig voorop, Holland en Utrecht volgden na 1860, en Groningen, Zeeland en Noord-Brabant pas rond 1880. In 1861 telde Nederland 29 stoomgemalen, in 1884 al 418. Daarmee konden boeren het grondwaterpeil voor het eerst regelen zonder afhankelijk te zijn van wind.11
Land te koop
De droogmaking kostte ongeveer 14,5 miljoen gulden. De staat verkocht de nieuwe grond op veilingen en haalde daarmee zo'n 8 miljoen gulden op; het tekort werd later via grondbelasting terugverdiend. Veel kopers waren rijke stedelingen, die het land verpachtten aan boeren.1 Dat de verkoop meeviel, kwam mede doordat een deel van de grond in 1853 werd geveild, een jaar met uitzonderlijk hoge graanprijzen.2 Een van de eerste grondbezitters was Jacob Paulus Amersfoordt. Hij kocht in 1854 zo'n 200 hectare in het noorden van de nieuwe polder, bij Sloten, en begon daar een modern landbouwbedrijf: De Badhoeve. Van 1863 tot 1869 was hij burgemeester van de nieuwe gemeente.6
Een proeftuin op de meerbodem
De eerste bewoners begonnen in een kale vlakte, met weinig wegen, huizen en voorzieningen. Anders dan veel polders in Groningen en Zeeland, die meteen vruchtbaar waren, had de grond van de nieuwe Noord-Hollandse droogmakerijen een structuur die landbouw niet direct toeliet. De bodem moest eerst intensief worden bewerkt en beter worden ontwaterd. Dat loonde alleen met handelsgewassen die per hectare veel opbrachten, zoals meekrap, vlas en later suikerbieten.4
De nieuwe polders werden zo een soort proeftuin. Boeren uit alle kustprovincies trokken erheen en namen hun vee, gereedschap, gewoonten en opvattingen mee. De problemen van het begin dwongen tot experimenten. De lonen waren hoog, wat het gebruik van machines bevorderde, en mest was voortdurend schaars, waardoor boeren al vroeg allerlei kunstmeststoffen probeerden.4 Kort na 1862 trokken de eerste loonbedrijven, die eerder alleen in Groningen en Friesland werkten, met stoomdorsmachines door de Haarlemmermeer.7 De overheid had het meer drooggemaakt, maar liet de inrichting van het land grotendeels over aan de bewoners en de markt.
Op 11 juli 1855 werd de Haarlemmermeer een eigen gemeente. Het gemeentehuis stond tot 1867 nog in Heemstede; daarna verhuisde het naar Hoofddorp, dat eerst Kruisdorp heette.8
Van boerenland tot luchthaven
Langzaam werd de polder een welvarend landbouwgebied, met akkerbouw op de zware klei en later ook veeteelt en tuinbouw. In het westen kwamen bloembollen, in de rest van de polder vooral suikerbieten.9 In 1916 kwam er een militair vliegveld bij, op een plek die al eeuwen Schiphol heette. Schiphol ligt deels op de bodem van het oude meer, enkele meters onder zeeniveau.10
Nu is de Haarlemmermeer een van de drukste gebieden van het land. De landbouw moet er de ruimte delen met woonwijken, bedrijventerreinen, wegen en de luchthaven. De gemalen pompen nog altijd, want zonder hen loopt de polder weer vol. Zo laat de polder zien dat land dat met techniek is gewonnen, ook alleen met voortdurende inzet van techniek en energie droog blijft.
- De droogmaking liet zien dat stoom grote waterwerken mogelijk maakte. Dat opende de weg naar nog grotere plannen. Zie Het nieuwe land.
- De Haarlemmermeer volgde op eeuwen van Droogmakerijen, maar was de eerste grote droogmaking die de staat zelf uitvoerde.
- De les dat een nieuwe polder meer nodig heeft dan droge grond, werd later in de Zuiderzeepolders toegepast. Daar regelde de staat ook de inrichting en de keuze van de boeren.
- De droogmaking kostte meer dan de grond opbracht.1 Dat de staat het verschil droeg, maakte duidelijk dat zulke werken ook een publieke zaak zijn.
- De polder ligt diep en moet altijd bemalen worden. Bij de vraag waar we in de toekomst bouwen en boeren, telt die ligging steeds zwaarder. Zie Klimaat: uitstoot, water en bodem.
Vier perspectieven
De ingenieur
Voor ingenieurs was de droogmaking een triomf. Met stoom kon de mens het water de baas worden op een schaal die eerder ondenkbaar was. Het versterkte het vertrouwen dat techniek de problemen van een laag land kon oplossen. De stoommachines kwamen deels uit Engeland, maar het gebouw van Cruquius werd ontworpen door de Nederlandse ingenieur Jan Anne Beijerinck. Het project werd een visitekaartje van de waterbouw.
De kolonist
Wie als eerste op de nieuwe grond ging wonen, vond geen beloofd land. Het werk was zwaar, de huizen slecht en ziekten kwamen veel voor. Veel pachters en arbeiders hadden het in de eerste jaren moeilijk. De grond was vruchtbaar, maar de winst ging voor een groot deel naar eigenaren in de stad. Wie het volhield, bouwde wel mee aan dorpen die er nu nog staan.
De belegger
Voor kopers met geld was de nieuwe grond een kans. Ze kochten grote stukken en verpachtten die. Zo werd de polder vanaf het begin ook een zaak van grondprijzen en rendement. Sommige eigenaren, zoals Amersfoordt, gebruikten hun land ook om nieuwe landbouwmethoden uit te proberen. Voor anderen was het vooral een belegging, ver van de dagelijkse praktijk van de boer.
De omwonende
Voor de mensen rond het meer betekende de droogmaking veiligheid tegen de waterwolf. Maar vissers en schippers verloren hun water. Wie aan de oevers woonde, zag zijn wereld veranderen. Het water uit de polder moest bovendien ergens heen. De ringvaart moest het afvoeren naar de wateren in de omgeving, en de buren moesten met die nieuwe waterstromen leren leven.
De ingenieur
Voor ingenieurs was de droogmaking een triomf. Met stoom kon de mens het water de baas worden op een schaal die eerder ondenkbaar was. Het versterkte het vertrouwen dat techniek de problemen van een laag land kon oplossen, en het opende de weg naar stoomgemalen in honderden bestaande polders. De stoommachines kwamen deels uit Engeland, maar het gebouw van Cruquius werd ontworpen door de Nederlandse ingenieur Jan Anne Beijerinck. Het project werd een visitekaartje van de Nederlandse waterbouw.
De kolonist
Wie als eerste op de nieuwe grond ging wonen, vond geen beloofd land. Het werk was zwaar, de huizen waren slecht en ziekten kwamen veel voor. De grond moest eerst nog bewerkbaar worden gemaakt, en dat kostte jaren. Veel pachters en arbeiders hadden het in de beginjaren moeilijk. De grond was op termijn vruchtbaar, maar de winst ging voor een groot deel naar eigenaren in de stad. Wie het volhield, bouwde wel mee aan dorpen die er nu nog staan.
De belegger
Voor kopers met geld was de nieuwe grond een kans. Ze kochten grote stukken en verpachtten die. Zo werd de polder vanaf het begin ook een zaak van grondprijzen en rendement, en het tijdstip van de veiling, in een jaar met hoge graanprijzen, speelde hun daarbij in de kaart. Sommige eigenaren, zoals Amersfoordt, gebruikten hun land om nieuwe landbouwmethoden uit te proberen. Voor anderen was het vooral een belegging, ver van de dagelijkse praktijk van de boer.
De omwonende
Voor de mensen rond het meer betekende de droogmaking veiligheid tegen de waterwolf. Maar vissers en schippers verloren hun water, en wie aan de oevers woonde, zag zijn wereld ingrijpend veranderen. Het water uit de polder moest bovendien ergens heen. De ringvaart voerde het af naar de wateren in de omgeving, en de buren moesten met die nieuwe waterstromen leren leven. Zo had de winst van de een gevolgen voor de ander.
- De naam Schiphol is veel ouder dan het vliegveld. Hij komt al voor in 1447, als Sciphol. Waar de naam vandaan komt, is niet zeker.10
- Badhoevedorp dankt zijn naam aan De Badhoeve, het moderne landbouwbedrijf dat Amersfoordt in 1854 bij Sloten begon. Het dorp groeide later rond die plek.6
- In 1934 nam een stichting gemaal Cruquius over om er een museum van te maken.3
De Haarlemmermeer werd drooggemaakt voor de landbouw, maar nu ligt er een luchthaven. Wie bepaalt waarvoor ons schaarse land gebruikt wordt?
- Wikipedia (nl), 'Haarlemmermeer (meer)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 70. ↩
- Wikipedia (nl), 'Gemaal De Cruquius' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 94. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 43. ↩
- Wikipedia (nl), 'Jacob Paulus Amersfoordt' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 169. ↩
- Wikipedia (nl), 'Haarlemmermeer' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 176–177. ↩
- Wikipedia (en), 'Amsterdam Airport Schiphol' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 94–95.