Landbouwcanon

In dit schilderij

  • Een gevlamde tulpenbol: het symbool van speculatie.
  • Een bos gedroogde tabaksbladeren van de zandgronden.
  • Een streng hennep voor touw en netten.
  • Rode meekrapwortel: verf voor de textielnijverheid.
  • Een contract met zegel: handel op papier in de herberg.
Venster 111637De Republiekconcept

Meekrap, hennep, tabak en tulpen

Telen voor de markt

In de Gouden Eeuw verbouwden veel boeren niet alleen voedsel, maar ook gewassen voor de handel en de nijverheid. Meekrap voor rode verf, hennep voor touw, tabak voor de pijp en tulpen voor de liefhebber. Ze brachten geld op, maar ook risico. De prijs werd vaak op markten ver weg bepaald. In 1637 stortte de handel in tulpenbollen spectaculair in.

In de Gouden Eeuw verbouwden veel boeren niet alleen voedsel, maar ook gewassen voor handel en nijverheid: meekrap voor rode verf, hennep voor touw, tabak voor de pijp en tulpen voor de liefhebber. Dat kon omdat goedkoop graan uit het Oostzeegebied grond vrijmaakte voor duurdere teelten. Handelsgewassen brachten geld op, maar ook risico, want de prijs werd vaak op markten ver weg bepaald. In 1637 stortte de handel in tulpenbollen spectaculair in.

Gewassen voor de nijverheid

De Republiek had een grote vloot, drukke steden en veel werkplaatsen. Die vroegen om grondstoffen. Boeren speelden daarop in. Op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en in West-Brabant teelden ze meekrap. De wortel van die plant leverde een rode kleurstof voor textiel. Het eiland Schouwen werd het middelpunt: daar groeide het aandeel meekrap tussen 1580 en 1650 van minder dan een tiende tot een kwart van het bouwland. De wortels werden gedroogd en tot poeder gemalen in meestoven. Eind zeventiende eeuw telde de zuidwestelijke delta er ongeveer vijftig. Het poeder ging via de stapelmarkt in Rotterdam naar het buitenland. Engeland bleef de belangrijkste afnemer.1

In de moeilijke tijd na 1650 breidden boeren op Schouwen de dure meekrapteelt juist uit. In het topjaar 1779 stond op de helft van het tiendplichtige bouwland meekrap of een ander handelsgewas.2

In de Krimpenerwaard, de Alblasserwaard en de Lopikerwaard verbouwden boeren hennep. Dat gebeurde op kleine, zwaar bemeste hennepwerven bij de boerderij. Bijna alle mest van de koeien ging naar de hennep, en van de melk werd volvette kaas gemaakt: hennep en kaas vormden samen één bedrijf.3 In de tweede helft van de zeventiende eeuw was hennep er de hoofdzaak.4 De vezels gingen naar de lijnbanen, waar touw, netten en zeildoek werden gemaakt voor scheepvaart en visserij. Volgens de Italiaanse schrijver Guicciardini hing de welvaart van Woerden en Oudewater er helemaal van af. Het roten van hennep in de sloten vervuilde het water zo, dat het bestuur van de Alblasserwaard het in 1646 aan banden legde.3 Ook vlas voor linnen en koolzaad voor lampolie waren belangrijke handelsgewassen.

Tabak op het zand

Rond 1620 haalden Amsterdamse kooplieden boeren op de westelijke Veluwe over om tabak te telen. Eerst was dat een buffer voor de onregelmatige aanvoer van overzee, maar het werd al snel een eigen bedrijfstak. Rond 1650 werd tabak geteeld bij onder meer Amersfoort, Nijkerk, Rhenen, Wageningen en Arnhem.5 Het was arbeidsintensief werk dat veel mest vroeg, maar op een klein stuk grond kon je er relatief veel mee verdienen. Kort na 1700 hadden zo'n 2.000 telers alleen al op de Veluwe minstens 1.700 hectare tabak. In geld was de oogst toen ongeveer evenveel waard als alle kaas uit Noord-Holland.6

De teelt draaide vaak op deelpacht. De grondeigenaar leverde mest en voorschotten en regelde de verkoop, en de teler gaf de helft van de oogst af. Zo konden ook keuters zonder spaargeld meedoen.6 Na 1760 verdrong tabak uit de Britse koloniën de Nederlandse tabak steeds meer.6

Op het hoogtepunt van de tulpenmanie werden bollen verhandeld die nog onder de grond zaten. Kopers en verkopers zagen de bloem zelf vaak nooit.Handel op papier, 1636–1637

De tulpenmanie

De tulp kwam in de late zestiende eeuw uit het Ottomaanse Rijk naar de Nederlanden. In 1593 kreeg de botanicus Carolus Clusius in Leiden, waar hij de hortus inrichtte, de eerste tulpen.7 Bijzondere, gevlamde tulpen werden een geliefd verzamelobject van rijke burgers. Kwekers rond Haarlem vermeerderden de bollen.

In 1636 ontstond een koortsachtige handel. Mensen kochten bollen die nog in de grond zaten, op papier. Die handel speelde zich vaak af in herbergen, in groepjes handelaren die collegies heetten.8 Voor zeldzame bollen werden bedragen genoemd die hoger lagen dan de prijs van een grachtenhuis, toen zo'n 3.000 tot 5.000 gulden. Op 5 februari 1637 werden in Alkmaar de bollen van de overleden herbergier Wouter Winckel geveild. De hele veiling bracht ongeveer 90.000 gulden op.7

Toen waren de prijzen in Haarlem al aan het vallen. Op 3 februari 1637 vonden kopers daar ineens niet meer. De prijzen stortten in, en de meeste contracten werden nooit uitbetaald.7,8

Historici zijn het er nu over eens dat de gevolgen kleiner waren dan het verhaal later deed geloven. Anne Goldgar vond maar een handvol handelaren die daarna in geldnood kwamen.8 De bollenhandel zelf bleef bestaan, als specialiteit van een kleine groep.9 Toch werd de tulpenmanie het bekendste voorbeeld van een speculatiebubbel.

Kansen en risico's

Handelsgewassen lieten zien hoe sterk de Nederlandse boer al eeuwen op de markt gericht was, ook op de internationale markt. Hij teelde wat geld opbracht, en paste zich aan als prijzen veranderden. Dat gaf kansen, maar ook kwetsbaarheid.

In 1868 slaagden de Duitse chemici Carl Graebe en Carl Liebermann erin de rode kleurstof uit meekrap, alizarine, kunstmatig te maken.10 De prijs van meekrap zakte van 30 gulden per 50 kilo in 1869 naar 12 gulden in 1876. In Zeeland werd in 1872–1873 nog 3.400 hectare meekrap geoogst, in 1880 nog maar 133 hectare. Op de lange duur bracht de suikerbiet verlichting.11

Hennep kromp al na 1730, toen landen als Engeland en Zweden hun markt afschermden en Russisch zeildoek de concurrentie aanging. Kaas nam steeds meer de plaats in.4 Eind negentiende eeuw was de hennepteelt vrijwel verdwenen.12 De bloembollen bleven en groeiden uit tot een wereldwijde sector.

Waarom boeren voor de markt gingen telen

De Republiek had een grote vloot, drukke steden en veel werkplaatsen. Die vroegen om grondstoffen, en boeren speelden daarop in. Tegelijk kwamen grote hoeveelheden graan per schip uit het Oostzeegebied naar Amsterdam. Daardoor stegen de graanprijzen in Holland minder hard dan elders in Europa, terwijl boter en vlees juist sneller duurder werden.23 Historicus Jan de Vries merkt droog op dat je van boter, kaas en kool alleen niet kunt leven, en van hennep, meekrap, vlas en koolzaad al helemaal niet. Zonder graaninvoer was deze specialisatie, het toeleggen op een paar producten voor de markt, onmogelijk geweest.16

De omschakeling begon vroeg. Al in 1514 teelden dorpen bij Leiden vlas, werd in en rond de Krimpenerwaard hennep verbouwd en hadden dorpen in het zuidoosten van Holland veel hop. Zoveel boeren stapten over van tarwe, rogge, gerst en haver naar koolzaad, vlas, hennep en hop, dat keizer Karel V in 1529 moest uitleggen hoe het zat met de tiende, een heffing op de oogst. Wie alleen recht had op de 'grote tiende' van het graan, zag zijn inkomsten namelijk verdwijnen.15

Meekrap uit de delta

Op de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en in West-Brabant teelden boeren meekrap. De wortel van die plant leverde een rode kleurstof voor textiel. Het eiland Schouwen werd het middelpunt: daar groeide het aandeel meekrap tussen 1580 en 1650 van minder dan een tiende tot een kwart van het bouwland. De wortels werden gedroogd en tot poeder gemalen in meestoven. Eind zeventiende eeuw telde de zuidwestelijke delta er ongeveer vijftig. Het poeder ging via de stapelmarkt in Rotterdam naar het buitenland. Engeland bleef de belangrijkste afnemer.1 Begin achttiende eeuw bracht de delta jaarlijks gemiddeld ruim vijf miljoen kilo meekrap voort, met een waarde van zo'n 2,5 miljoen gulden.22

Opvallend is dat boeren op Schouwen de dure meekrapteelt juist uitbreidden in de moeilijke tijd na 1650. In het topjaar 1779 stond op de helft van het tiendplichtige bouwland meekrap of een ander handelsgewas.2 Dat past in een patroon dat de Wageningse historicus Slicher van Bath voor heel West-Europa beschreef. Als graan weinig opbracht, schakelden boeren over op vee en op handelsgewassen als vlas, hennep, hop, oliezaden en verfplanten zoals meekrap.20

Hennep en kaas in de waarden

In de Krimpenerwaard, de Alblasserwaard en de Lopikerwaard verbouwden boeren hennep. Dat gebeurde op kleine, zwaar bemeste hennepwerven bij de boerderij. Bijna alle mest van de koeien ging naar de hennep, en van de melk werd volvette kaas gemaakt: hennep en kaas vormden samen één bedrijf.3 In de tweede helft van de zeventiende eeuw was hennep er de hoofdzaak.4 In 1726 produceerde de hele Krimpenerwaard 1,3 miljoen kilo hennep.22

De vezels gingen naar de lijnbanen, waar touw, netten en zeildoek werden gemaakt voor scheepvaart en visserij. Volgens de Italiaanse schrijver Guicciardini hing de welvaart van Woerden en Oudewater er helemaal van af. Het roten van hennep in de sloten vervuilde het water zo, dat het bestuur van de Alblasserwaard het in 1646 aan banden legde.3

Ook vlas voor linnen en koolzaad voor lampolie waren belangrijke handelsgewassen.

Tabak op het zand en in de Betuwe

Rond 1620 haalden Amsterdamse kooplieden boeren op de westelijke Veluwe over om tabak te telen. Eerst was dat een buffer voor de onregelmatige aanvoer van overzee, maar het werd al snel een eigen bedrijfstak. Rond 1650 werd tabak geteeld bij onder meer Amersfoort, Nijkerk, Rhenen, Wageningen en Arnhem.5 Het was arbeidsintensief werk, maar op een klein stuk grond kon je er relatief veel mee verdienen. De teelt vroeg ongekende hoeveelheden schapenmest, die per schip van ver werd aangevoerd.21 Kort na 1700 hadden zo'n 2.000 telers alleen al op de Veluwe minstens 1.700 hectare tabak. In geld was de oogst toen ongeveer evenveel waard als alle kaas uit Noord-Holland.6 Na 1670 verspreidde de tabak zich ook over het oostelijk rivierengebied.18

De teelt draaide vaak op deelpacht. De grondeigenaar leverde mest en voorschotten en regelde de verkoop, en de teler gaf de helft van de oogst af. Zo konden ook keuters zonder spaargeld meedoen.6 Over zulke pachtvormen verschillen historici van mening. De Vries zag deelpacht, met Frankrijk als voorbeeld, als een stelsel waarin pachter noch eigenaar wilde investeren.19 Bieleman wijst er juist op dat deelteelt de tabak groot maakte. Grote boeren compenseerden er hun dalende inkomen mee, en de 'tabakkers' vormden een eigen groep tussen boer en landarbeider. In het Betuwse ambt Valburg was in 1750 bijna een kwart van de huishoudens tabakker.18

Na 1760 verdrong tabak uit de Britse koloniën de Nederlandse tabak steeds meer.6

De tulpenmanie

De tulp kwam in de late zestiende eeuw uit het Ottomaanse Rijk naar de Nederlanden. In 1593 kreeg de botanicus Carolus Clusius in Leiden, waar hij de hortus inrichtte, de eerste tulpen.7 Bijzondere, gevlamde tulpen werden een geliefd verzamelobject van rijke burgers. Kwekers rond Haarlem vermeerderden de bollen.

In 1636 ontstond een koortsachtige handel. Mensen kochten bollen die nog in de grond zaten, op papier. Die handel speelde zich vaak af in herbergen, in groepjes handelaren die collegies heetten.8 Voor zeldzame bollen werden bedragen genoemd die hoger lagen dan de prijs van een grachtenhuis, toen zo'n 3.000 tot 5.000 gulden. Op 5 februari 1637 werden in Alkmaar de bollen van de overleden herbergier Wouter Winckel geveild. De hele veiling bracht ongeveer 90.000 gulden op.7 Toen waren de prijzen in Haarlem al aan het vallen. Op 3 februari 1637 vonden kopers daar ineens niet meer. De prijzen stortten in, en de meeste contracten werden nooit uitbetaald.7,8

Historici zijn het er nu over eens dat de gevolgen kleiner waren dan het verhaal later deed geloven. Anne Goldgar vond maar een handvol handelaren die daarna in geldnood kwamen.8 De bollenhandel zelf bleef bestaan, als specialiteit van een kleine groep.9 Toch werd de tulpenmanie het bekendste voorbeeld van een speculatiebubbel.

Kansen en risico's

Handelsgewassen lieten zien hoe sterk de Nederlandse boer al eeuwen op de markt gericht was, ook op de internationale markt. Hij teelde wat geld opbracht, en paste zich aan als prijzen veranderden. Dat gaf kansen, maar ook kwetsbaarheid.

Hennep kromp al na 1730, toen landen als Engeland en Zweden hun markt afschermden en Russisch zeildoek de concurrentie aanging. Kaas nam steeds meer de plaats in.4 Eind negentiende eeuw was de hennepteelt vrijwel verdwenen.12 De meekrap kreeg eerst te maken met garancine, een Frans fabrieksproduct uit 1826 dat drie keer zo sterk kleurde als meekrappoeder. Zeeuwse handelaren gingen het zelf maken, zodat de schade tijdelijk bleef. Rond 1870 waren er minstens 144 meestoven en garancinefabrieken.17

Tegen de volgende vinding was geen verweer. In 1868 slaagden de Duitse chemici Carl Graebe en Carl Liebermann erin de rode kleurstof uit meekrap, alizarine, kunstmatig te maken.10 De prijs van meekrap zakte van 30 gulden per 50 kilo in 1869 naar 12 gulden in 1876. In Zeeland werd in 1872–1873 nog 3.400 hectare meekrap geoogst, in 1880 nog maar 133 hectare. Op de lange duur bracht de suikerbiet verlichting.11 De bloembollen bleven en groeiden uit tot een wereldwijde sector.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer waren handelsgewassen een kans om meer te verdienen dan met graan. Ze vroegen veel arbeid, kennis en mest. Een slechte prijs kon een heel jaar werk tenietdoen. Niet elke teler was ook baas over zijn oogst. Wie in deelpacht werkte, moest vaak de helft afstaan aan de grondeigenaar. Wie in loondienst bij een planter werkte, zag de winst naar een ander gaan.

De koopman

Voor de koopman waren meekrap, hennep en tabak grondstoffen voor handel en nijverheid. Hij kocht in bij de boer, liet verwerken en verkocht door, bijvoorbeeld naar Engeland. Hij bepaalde vaak de prijs. Zijn winst hing af van verre markten, van oorlog en vrede op zee en van concurrenten in Frankrijk of Amerika.

De speculant

Voor wie in 1636 tulpenbollen kocht, leek snel geld binnen bereik. In de herberg werd gehandeld met een glas erbij, en de prijzen stegen week na week. Maar wie te laat instapte, bleef achter met contracten die niemand meer wilde nakomen. De bubbel liet zien hoe snel vertrouwen kan omslaan. Voor kwekers en liefhebbers ging de handel in bollen daarna gewoon door, tegen veel lagere prijzen.

De stedeling

Voor de stedeling waren de producten van het land dagelijks zichtbaar: gekleurde stoffen, touw in de haven, een pijp tabak, tulpen in de tuin. Het platteland leverde niet alleen eten, maar ook luxe en grondstoffen. In de ververijen, lijnbanen en tabakswerkplaatsen van de stad vonden veel mensen werk dankzij wat de boer verbouwde.

De boer

Voor de boer waren handelsgewassen een kans om meer te verdienen dan met graan, zeker als graan weinig opbracht. Ze vroegen veel arbeid, kennis en mest, die vaak van ver moest komen. Een slechte prijs kon een heel jaar werk tenietdoen. Niet elke teler was ook baas over zijn oogst. Wie in deelpacht werkte, moest vaak de helft afstaan aan de grondeigenaar, maar kon zonder eigen kapitaal toch beginnen. Wie in loondienst bij een planter werkte, zag de winst naar een ander gaan.

De koopman

Voor de koopman waren meekrap, hennep en tabak grondstoffen voor handel en nijverheid. Hij kocht in bij de boer, liet verwerken en verkocht door, bijvoorbeeld naar Engeland. Hij bepaalde vaak de prijs, en soms zette hij zelf een teelt op, zoals de Amsterdamse tabakshandelaren op de Veluwe. Zijn winst hing af van verre markten, van oorlog en vrede op zee en van concurrenten in Frankrijk of Amerika.

De speculant

Voor wie in 1636 tulpenbollen kocht, leek snel geld binnen bereik. In de herberg werd gehandeld met een glas erbij, en de prijzen stegen week na week. Er gingen nauwelijks bollen van hand tot hand: men handelde in beloftes. Wie te laat instapte, bleef achter met contracten die niemand meer wilde nakomen. De bubbel liet zien hoe snel vertrouwen kan omslaan. Voor kwekers en liefhebbers ging de handel in bollen daarna gewoon door, tegen veel lagere prijzen.

De stedeling

Voor de stedeling waren de producten van het land dagelijks zichtbaar: gekleurde stoffen, touw in de haven, een pijp tabak, olie in de lamp, tulpen in de tuin. Het platteland leverde niet alleen eten, maar ook luxe en grondstoffen. In de ververijen, lijnbanen, oliemolens en tabakswerkplaatsen van de stad vonden veel mensen werk dankzij wat de boer verbouwde. Omgekeerd leverde de stad mest en vuil terug aan het land.

Trivia
Om over te praten

Boeren in de Gouden Eeuw teelden wat de markt vroeg, met alle kansen en risico's. Moet een boer nu vooral telen wat het meeste oplevert, of wat de streek en de samenleving nodig hebben?

Bronnen
  1. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 47–48. ↩
  2. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 91–93. ↩
  3. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 52–54 (met noot 74). ↩
  4. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 108–109. ↩
  5. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 72–73. ↩
  6. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 141–144. ↩
  7. Wikipedia (nl), 'Tulpenmanie' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  8. Wikipedia (en), 'Tulip mania' (geraadpleegd 2026), met verwijzing naar A. Goldgar, Tulipmania (2007), link. ↩
  9. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 56. ↩
  10. Wikipedia (nl), 'Alizarine' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  11. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 174. ↩
  12. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 192. ↩
  13. Wikipedia (en), 'Tulip breaking virus' (geraadpleegd 2026), met verwijzing naar D. Cayley, ''Breaking' in tulips', Annals of Applied Biology 15 (1928), link. ↩
  14. Touwmuseum Oudewater (geraadpleegd 2026), link. ↩
  15. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 72.
  16. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 164.
  17. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 98.
  18. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 111–112.
  19. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 16.
  20. B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 124.
  21. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 150.
  22. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 153.
  23. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 37.

Verder lezen