In dit schilderij
- De boer die kunstmest strooit: met de hand, in een wijd gebaar.
- De jutezakken op de kar: mest uit haven en fabriek.
- Het proefveld: een bemeste groene strook naast een schrale.
- De schuit op het kanaal: zo kwam de kunstmest naar het zand.
- De fabrieksschoorsteen: stikstof uit de lucht.
Kunstmest
Rond 1890 kwam er een nieuwe mest op het boerenland: kunstmest. Die kwam niet uit de stal, maar uit verre landen en uit fabrieken. Met spoor en schip bereikte ze ook het arme zand. Proefstations, landbouwleraren en vooral boeren die het al gebruikten, lieten zien wat een zak fosfaat of stikstof deed. De oogsten stegen en werden zekerder. Vanaf 1913 kon stikstof zelfs uit de lucht worden gehaald.
Rond 1890 kwam er een nieuwe mest op het boerenland: kunstmest. Die kwam niet uit de stal, maar uit verre landen en uit fabrieken. Met spoor en schip bereikte ze ook het arme zand. Het voorbeeld van boeren die het al gebruikten, gezamenlijke inkoop en later de landbouwleraren lieten zien wat een zak fosfaat, kali of stikstof deed. De oogsten stegen en werden vooral zekerder. Vanaf 1913 kon stikstof zelfs uit de lucht worden gehaald.
Te weinig mest
Eeuwenlang bepaalde mest hoeveel een boer kon oogsten. Op de zandgronden hielden boeren schapen en staken ze heideplaggen voor hun potstal. Voor één hectare akker was een veelvoud aan heide nodig. Zie Plaggen en potstal. Wie meer wilde oogsten, had meer vee, meer heide en meer handen nodig. Rond 1850 ging bijna alle afval het land op, van stadsvuil tot visafval.1 De mest bleef zo binnen een kringloop van stal, heide, stad en akker. Mest werd steeds meer het knelpunt.2
Wat een plant nodig heeft
In de negentiende eeuw lieten scheikundigen, onder wie de Duitser Justus von Liebig, zien dat planten vooral stikstof, fosfaat en kali uit de bodem halen. Is één van die stoffen schaars, dan blijft de oogst achter, hoeveel er verder ook is. Dat idee maakte mest meetbaar. Je kon een tekort nu gericht aanvullen.
De eerste aanvoer kwam van ver. Guano, gedroogde vogelmest van eilanden voor de kust van Peru, was rijk aan stikstof en fosfaat. Toen de beste voorraden opraakten en de kwaliteit daalde, stopten veel zandboeren na 1870 met guano.3 Andere meststoffen namen het over: Chilisalpeter, een stikstofzout uit de woestijn van Chili; kalizouten uit Duitsland; en superfosfaat, gemalen fosfaaterts behandeld met zwavelzuur.4 Vanaf de jaren tachtig kwam daar thomasslakkenmeel bij, een restproduct van de staalindustrie. Het was rijk aan fosfaat en kalk, en daardoor geschikt voor zure zandgrond.5
Van haven naar zandgrond
Tot 1890 daalde de prijs van kunstmest ongeveer even snel als die van graan, zodat de De landbouwcrisis de verspreiding eerst remde.6 De eerste grote gebruikers waren boeren in Oost-Zeeuws-Vlaanderen en de Veenkoloniën, die gewend waren dure stadsmest te kopen.7 Op het zand brak kunstmest pas na 1895 echt door, toen de landbouwprijzen weer stegen.8
Coöperatieve aankoopverenigingen kochten samen in. In Drenthe ontstonden de eerste al in 1879.8 Zie Coöperaties en boerenleenbanken. Controle was nodig, want niet elke zak bevatte wat erop stond. Proefstations onderzochten meststoffen op fraude.9 Rijkslandbouwleraren hielden lezingen en legden proefvelden aan. Zie Wageningen en de voorlichting. Volgens Van Zanden gaf vóór 1900 toch vooral het voorbeeld van andere boeren de doorslag.9
Op het zand ging de meeste kunstmest eerst naar het grasland.10 De roggeopbrengst in Drenthe steeg tussen 1838 en 1910 met zo'n 40 procent, maar vooral werd de oogst zekerder: de verschillen tussen goede en slechte jaren namen sterk af.11 Daardoor kon ook de heide worden ontgonnen. Dat verhaal staat in De heide-ontginning.
Stikstof uit de lucht
Chilisalpeter was eindig en kwam van ver. Duitse chemici zochten een andere bron. Fritz Haber liet in 1909 zien dat je stikstof uit de lucht kunt binden tot ammoniak.12 Carl Bosch van het chemiebedrijf BASF maakte er een fabrieksproces van. In 1913 ging in Oppau, bij Ludwigshafen, de eerste fabriek draaien.13
Nederland volgde. In 1918 richtten boeren de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Kunstmestfabriek op, die vanaf 1921 in Vlaardingen produceerde.14 In 1929 begon Mekog in IJmuiden ammoniak te maken uit het gas van de hoogovens.15 Een jaar later maakte het Stikstofbindingsbedrijf van de Staatsmijnen in Geleen zijn eerste kunstmest.16 Nederland werd zo zelf een kunstmestland.
Meer is niet altijd beter
Kunstmest werkt niet als een simpele rekensom. De eerste kilo's stikstof geven veel extra oogst, de volgende steeds minder. Wat de plant niet opneemt, blijft achter. Hoeveel dat is, hangt af van het tijdstip, de dosis en de mestsoort. Ook de bodem telt: op droge zandgrond spoelt stikstof veel sneller uit naar het grondwater dan op klei of veen. En het gewas: gras neemt bijna het hele jaar stikstof op, een akker met één gewas veel korter.
Fosfaat gedraagt zich anders. Het bindt zich aan de bodem en spoelt nauwelijks uit. Maar wie jaar na jaar meer geeft dan het gewas opneemt, bouwt een voorraad op. Rond 1900 strooiden boeren op het arme zand juist vooral fosfaat.17 Bovendien komt fosfaat uit gesteente dat ergens gedolven moet worden. Die voorraad is eindig.
Een nieuwe kringloop
Na 1890 nam de invoer van kunstmest een hoge vlucht. In 25 jaar werd ze meer dan honderd keer zo groot.18 Nederland werd het land dat de meeste kunstmest per hectare gebruikte.2 De boer werd minder afhankelijk van zijn eigen vee en zijn eigen mesthoop. Wel werd hij afhankelijker van de markt, van fabrieken en van advies van buiten. De kringloop van voedingsstoffen liep voortaan via havens, spoorlijnen en schoorstenen.
Mest als knelpunt
Eeuwenlang bepaalde mest hoeveel een boer kon oogsten. Op de zandgronden hielden boeren schapen en staken ze heideplaggen voor hun potstal. Voor één hectare akker was een veelvoud aan heide nodig. Zie Plaggen en potstal. Wie meer wilde oogsten, had meer vee, meer heide en meer handen nodig. Rond 1850 ging bijna alle afval het land op, van stadsvuil, vodden en beendermeel tot as en visafval. Van Zanden noemt het Nederland van die jaren bijna een ideale kringloopeconomie.1
Naarmate de landbouw intensiever werd, liep die kringloop vast. Mest werd steeds meer het knelpunt.2 Een verslag voor de staatscommissie van 1886 noemde de hoge kosten van het maken van mest op de Veluwe zelfs 'de kanker' van de landbouw: het steken en vervoeren van plaggen kostte veel loon en paardenwerk, en gekocht krachtvoer en hooi daalden minder in prijs dan wat de boer verkocht.2
Wat een plant nodig heeft
In de negentiende eeuw lieten scheikundigen, onder wie de Duitser Justus von Liebig, zien dat planten vooral stikstof, fosfaat en kali uit de bodem halen. Is één van die stoffen schaars, dan blijft de oogst achter, hoeveel er verder ook is. Dat idee maakte mest meetbaar: je kon een tekort nu gericht aanvullen.
De eerste aanvoer kwam van ver. Guano, gedroogde vogelmest van eilanden voor de kust van Peru, was rijk aan stikstof en fosfaat. Toen de beste voorraden opraakten en de kwaliteit daalde, stopten veel zandboeren na 1870 met guano.3 Na 1850 mengden binnenlandse 'kunstmestfabrieken' guano met beendermeel, as en visafval, met vaak twijfelachtige kwaliteit.18 Andere meststoffen namen het over: Chilisalpeter, een stikstofzout uit de woestijn van Chili; kalizouten uit Duitsland; en superfosfaat, gemalen fosfaaterts behandeld met zwavelzuur.4 Vanaf de jaren tachtig kwam daar thomasslakkenmeel bij, een restproduct van de staalindustrie, rijk aan fosfaat en kalk en daardoor geschikt voor zure zandgrond.5 Bijna alle kunstmest werd vóór 1914 ingevoerd; alleen superfosfaat werd vanaf de jaren tachtig ook in Nederland gemaakt.18
Van haven naar zandgrond
Tot 1890 daalde de prijs van kunstmest ongeveer even snel als die van graan, zodat de De landbouwcrisis de verspreiding eerst remde.6 De eerste grote gebruikers waren boeren in Oost-Zeeuws-Vlaanderen en de Veenkoloniën, die al gewend waren dure stadsmest te kopen. In Zeeuws-Vlaanderen brachten Belgische boeren het gebruik mee.7
Ook binnen Drenthe waren de verschillen groot. In 1895 gebruikte de provincie gemiddeld 79 kilo kunstmest per hectare, maar buiten een paar veenkoloniale koplopers en Hoogeveen was dat nog maar 29 kilo. De Veenkoloniën gebruikten vooral kali en stikstof, het zand vooral fosfaat.17 Op het zand ging de meeste kunstmest eerst naar het grasland; de stalmest bleef zo over voor het bouwland, dat er indirect van profiteerde.10 Op het zand brak kunstmest pas na 1895 echt door, toen de landbouwprijzen weer stegen en kunstmest daardoor relatief goedkoper werd.8
Wie overtuigde de boer?
Over de vraag wat de doorslag gaf, verschillen historici van nadruk. Volgens Van Zanden kwam de verspreiding vóór 1900 vooral door het voorbeeld van andere, vaak grotere boeren in de Veenkoloniën en België. De praktijk ging de theorie voor: nog in 1889 wisten veel veenkoloniale boeren nauwelijks wat de verschillende meststoffen bevatten. Onderwijs en voorlichting speelden toen volgens hem nog nauwelijks een rol. Wel hielpen coöperaties, omdat ze kleine boeren toegang gaven en de kwaliteit lieten controleren bij proefstations.9 Bieleman onderschrijft dat de dalende relatieve prijs na 1895 beslissend was, maar vindt de aankoopverenigingen van niet minder belang. In Drenthe ontstonden de eerste al in 1879.8 Ze bedongen kortingen, garandeerden kwaliteit in een handel vol fraude, en later gaven boerenleenbanken kleine boeren het krediet om mee te doen.8 Zie Coöperaties en boerenleenbanken en Wageningen en de voorlichting.
De roggeopbrengst in Drenthe steeg tussen 1838 en 1910 met zo'n 40 procent, maar vooral werd de oogst zekerder: de verschillen tussen goede en slechte jaren namen sterk af.11 Daardoor kon ook de heide worden ontgonnen, het landschap dat zelf door eeuwen schapen en plaggen was ontstaan. Dat verhaal staat in De heide-ontginning.
Stikstof uit de lucht
Chilisalpeter was eindig en kwam van ver. Duitse chemici zochten een andere bron. Fritz Haber liet in 1909 zien dat je stikstof uit de lucht kunt binden tot ammoniak.12 Carl Bosch van het chemiebedrijf BASF maakte er een fabrieksproces van. In 1913 ging in Oppau, bij Ludwigshafen, de eerste fabriek draaien.13
Nederland volgde. In 1918 richtten boeren de Eerste Nederlandsche Coöperatieve Kunstmestfabriek op, die vanaf 1921 in Vlaardingen produceerde.14 In 1929 begon Mekog in IJmuiden ammoniak te maken uit het gas van de hoogovens.15 Een jaar later maakte het Stikstofbindingsbedrijf van de Staatsmijnen in Geleen zijn eerste kunstmest.16 Nederland werd zo zelf een kunstmestland.
Meer is niet altijd beter
Kunstmest werkt niet als een simpele rekensom. De eerste kilo's stikstof geven veel extra oogst, de volgende steeds minder. Wat de plant niet opneemt, blijft achter. Hoeveel dat is, hangt af van het tijdstip, de dosis en de mestsoort. Ook de bodem telt: op droge zandgrond spoelt stikstof veel sneller uit naar het grondwater dan op klei of veen. En het gewas: gras neemt bijna het hele jaar stikstof op, een akker met één gewas veel korter.
Fosfaat gedraagt zich anders. Het bindt zich aan de bodem en spoelt nauwelijks uit. Maar wie jaar na jaar meer geeft dan het gewas opneemt, bouwt een voorraad op die later jarenlang kan nalekken naar sloten. Rond 1900 strooiden boeren op het arme zand juist vooral fosfaat.17 Bovendien komt fosfaat uit gesteente dat ergens gedolven moet worden. Die voorraad is eindig.
Een nieuwe kringloop
Na 1890 nam de invoer van kunstmest een hoge vlucht. In 25 jaar werd ze meer dan honderd keer zo groot.18 Nederland werd het land dat de meeste kunstmest per hectare gebruikte.2 De boer werd minder afhankelijk van zijn eigen vee, zijn eigen mesthoop en de heide. Wel werd hij afhankelijker van de markt, van fabrieken, van krediet en van advies van buiten. De kringloop van voedingsstoffen liep voortaan via havens, spoorlijnen en schoorstenen.
- Kunstmest leidde tot veel hogere opbrengsten. Later kwamen er, met kunstmest en dierlijke mest samen, vooral op de zandgronden meer voedingsstoffen in bodem en water dan gewassen konden opnemen. Zie Het mestprobleem en zure regen en De Kaderrichtlijn Water.
- Na de uitvinding van het Haber-Bosch-proces werd stikstofkunstmest goedkoop en overvloedig. Volgens schattingen dankt nu ongeveer de helft van de wereldbevolking zijn voedsel aan deze kunststikstof. Vaclav Smil kwam rond 2000 op zo'n 40 procent; Erisman en collega's schatten het in 2008 op 48 procent. Zij wijzen erop dat zo'n getal moeilijk precies te bepalen is, omdat ook betere rassen, teeltmethoden en machines de oogsten verhoogden.19
- Kunstmest maakte de grote heideontginningen mogelijk. Zie De heide-ontginning.
- Na de oorlog bracht de Marshallhulp onder meer kunstmest naar Nederland. Zie Oorlog en wederopbouw.
- Fosfaat uit erts is eindig. Mest is daardoor ook een waardevolle bron van fosfaat geworden. Zie Einde melkquotum, begin fosfaatrechten.
- Nu zoeken boeren en onderzoekers naar manieren om minder van buiten aan te voeren en meer op de eigen bodem te vertrouwen. Zie Van controle naar veerkracht.
Vier perspectieven
De boer
Voor de boer was kunstmest een uitkomst. Hij hoefde niet langer plaggen te steken of meer vee te houden om meer te oogsten. Een zak uit de coöperatie was genoeg. Maar kunstmest kostte geld, en wie het verkeerd gebruikte, gooide dat geld weg. Daarom luisterde hij naar de landbouwleraar, en keek hij over het hek naar het proefveld van de buurman.
De scheikundige
Voor de scheikundige was kunstmest het bewijs dat landbouw een wetenschap kon zijn. Je kon meten wat een plant nodig had en dat precies toevoegen. Proefvelden lieten zien hoeveel extra oogst een kilo fosfaat of stikstof opleverde. Hoe de stoffen zich op lange termijn in bodem en water gedroegen, kreeg toen minder aandacht.
De fabrikant
Voor de fabrikant was kunstmest een groeimarkt. De vraag steeg elk jaar, en wie de grondstoffen en de techniek had, kon goed verdienen. Fabrieken bij havens en mijnen gebruikten ertsen, zuren en gas die er toch al waren. Na 1913 kwam de belangrijkste grondstof gratis uit de lucht. Wel kostte het binden ervan veel energie.
De waterbeheerder
Een waterbeheerder kijkt anders naar dezelfde zak. Wat het gewas niet opneemt, kan in sloten en grondwater belanden. Rond 1900 zag bijna niemand dat als probleem, want er was eerder te weinig dan te veel. Pas veel later, toen het gebruik sterk was gegroeid, werden de gevolgen voor het water zichtbaar.
De boer
Voor de boer was kunstmest een uitkomst. Hij hoefde niet langer plaggen te steken of meer vee te houden om meer te oogsten. Een zak uit de coöperatie was genoeg. Maar kunstmest kostte geld, en wie het verkeerd gebruikte, gooide dat geld weg. Grote boeren met wat financiële ruimte probeerden het eerst; kleine boeren volgden zodra de prijs het toeliet en de coöperatie of de boerenleenbank hielp. Hij luisterde naar de landbouwleraar, maar keek vooral over het hek naar het proefveld van de buurman.
De scheikundige
Voor de scheikundige was kunstmest het bewijs dat landbouw een wetenschap kon zijn. Je kon meten wat een plant nodig had en dat precies toevoegen. Proefvelden lieten zien hoeveel extra oogst een kilo fosfaat of stikstof opleverde, en proefstations controleerden of in de zak zat wat erop stond. Hoe de stoffen zich op lange termijn in bodem en water gedroegen, kreeg toen minder aandacht.
De fabrikant
Voor de fabrikant was kunstmest een groeimarkt. Doordat de landbouw intensiever werd, steeg de vraag elk jaar, en wie de grondstoffen en de techniek had, kon goed verdienen. Fabrieken bij havens en mijnen gebruikten ertsen, zuren en gas die er toch al waren. Grote inkopers als coöperaties konden flinke kortingen bedingen. Na 1913 kwam de belangrijkste grondstof gratis uit de lucht. Wel kostte het binden ervan veel energie.
De waterbeheerder
Een waterbeheerder kijkt anders naar dezelfde zak. Wat het gewas niet opneemt, kan in sloten en grondwater belanden, en fosfaat dat zich in de bodem ophoopt, kan nog jaren later naar het water lekken. Rond 1900 zag bijna niemand dat als probleem, want er was eerder te weinig dan te veel. Pas veel later, toen het gebruik sterk was gegroeid, werden de gevolgen voor het water zichtbaar.
- Thomasslakkenmeel is genoemd naar de Engelsman Sidney Gilchrist Thomas. Hij vond in 1879 een manier om fosforrijk ijzererts tot staal te verwerken. Het fosfaat bleef achter in de slak, en die werd gemalen tot meststof.5
- De beroemdste guano kwam van de Chincha-eilanden voor de kust van Peru. Rond 1874 waren de dikke lagen vogelmest daar grotendeels afgegraven.20
- De eerste ammoniakfabriek in Oppau maakte in 1914 al zo'n 20 ton ammoniak per dag.12
- Fritz Haber kreeg de Nobelprijs voor scheikunde over 1918. Dat was omstreden, omdat hij in de Eerste Wereldoorlog ook had meegewerkt aan de inzet van chloorgas.21 Carl Bosch kreeg de Nobelprijs in 1931.19
Kunstmest maakte veel meer voedsel mogelijk, maar bracht later ook problemen in bodem en water. Hoe weeg je de voor- en nadelen van zo'n uitvinding?
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 92. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 113. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 62, 114. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 118. ↩
- Wikipedia (nl), 'Thomasslakkenmeel' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 118–119. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 117–118. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 621–622. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 120. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 620–621. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 660. ↩
- Wikipedia (en), 'Haber process' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- BASF, 'Chronology 1913: First ammonia synthesis plant' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Yara, 'Geschiedenis van Yara Vlaardingen' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Mekog' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Stikstofbindingsbedrijf' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 618–620. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 114. ↩
- J.W. Erisman, M.A. Sutton, J. Galloway, Z. Klimont en W. Winiwarter, 'How a century of ammonia synthesis changed the world', Nature Geoscience 1 (2008), 636–639, link. ↩
- Wikipedia (en), 'Chincha Islands' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Fritz Haber' (geraadpleegd 2026), link. ↩
Verder lezen
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010).
- V. Smil, Enriching the Earth. Fritz Haber, Carl Bosch, and the Transformation of World Food Production (2001).
- E. Homburg, 'Grootschalig produceren: superfosfaat en zwavelzuur, 1890–1940', in Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, deel 2 (2000).