In dit schilderij
- Het VOC-schip: specerijen en thee uit Azië.
- Vaten en zakken: suiker en koffie voor Amsterdam.
- De koopman: Amsterdam als stapelmarkt.
- Het suikerriet: gekapt door tot slaaf gemaakten.
- Planterhuis en kookhuis: de plantage overzee.
Plantages overzee
In 1602 werd de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht, in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC). Ze brachten specerijen, suiker, koffie, tabak, cacao en thee naar de Republiek. Veel daarvan kwam van plantages: grote landbouwbedrijven overzee, waar tot slaaf gemaakte mensen het werk deden. Zo raakte het eten in Holland verbonden met landbouw aan de andere kant van de wereld. Pas op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij af.
In 1602 werd de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) opgericht, in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC). Ze brachten specerijen, suiker, koffie, tabak, cacao en thee naar de Republiek. Veel daarvan kwam van plantages: grote landbouwbedrijven overzee, waar tot slaaf gemaakte mensen onder dwang het werk deden. Zo raakte het eten in Holland verbonden met landbouw aan de andere kant van de wereld. Hoe groot het economische belang daarvan was, is onder historici omstreden. Pas op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij af.
Twee compagnieën
In 1602 bundelden kooplieden uit Amsterdam, Zeeland en andere steden hun schepen in de VOC. De Staten-Generaal gaven de compagnie het alleenrecht op de handel met Azië.1 In 1621 volgde de WIC, voor West-Afrika en Amerika.2
Eerst ging het om specerijen: peper, kruidnagel, nootmuskaat en foelie. Later werden suiker, koffie, thee en textiel belangrijker.1 Amsterdam werd de stapelmarkt van de wereld. Goederen kwamen daar aan, werden opgeslagen en verwerkt, en gingen weer door naar de rest van Europa.
Nootmuskaat en geweld op Banda
Nootmuskaat groeide alleen op de Banda-eilanden, in het oosten van de huidige Indonesische archipel. De VOC wilde de hele handel in handen hebben, maar de Bandanezen verkochten ook aan Engelse en andere handelaren. In 1621 voer gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen met een vloot naar de eilanden. Hij liet tientallen dorpshoofden, de orang kaya, martelen en terechtstellen; de Atlas of Mutual Heritage noemt er 44.3 Van de naar schatting 15.000 inwoners werd het grootste deel gedood, verdreven of tot slaaf gemaakt. Velen stierven op de vlucht van honger. Over de precieze aantallen verschillen historici.4
Daarna verdeelde de VOC de nootmuskaattuinen in percelen, de perken. De eigenaren, de perkeniers, moesten hun nootmuskaat en foelie aan de VOC verkopen. Het werk deden vooral tot slaaf gemaakte mensen. Dit stelsel bleef bestaan tot 1873.3
Suiker uit de West
In het Atlantisch gebied draaide het vooral om suiker. De WIC veroverde in 1630 een deel van Brazilië, waar suikerriet werd geteeld, maar verloor het in 1654 weer.2 In 1667 nam een Zeeuwse vloot onder Abraham Crijnssen Suriname in. Langs de rivieren kwamen daar honderden plantages: een kaart uit 1735 telt er 440. Ze teelden vooral suiker en koffie, later ook cacao. Vanaf 1753 leenden Amsterdamse bankiers de planters grote bedragen.5 Vooral na 1765 groeide die kredietverlening snel, met de plantage als onderpand. Met het geld kochten planters vooral tot slaaf gemaakte mensen. Na een crisis op de Amsterdamse beurs begin 1773 kwamen veel planters in de problemen.6
Curaçao, veroverd in 1634, had een droge bodem en weinig landbouw. Het eiland werd vooral een handelspost en een markt waar tot slaaf gemaakte Afrikanen werden doorverkocht, onder meer naar Spaanse koloniën.7
Wie het werk deed
Suikerriet kappen, persen en het sap koken was zwaar werk. Planters lieten het doen door mensen die in Afrika gevangen waren genomen. Vanuit forten als Elmina, sinds 1637 in Nederlandse handen, vervoerden Nederlandse schepen ruim een half miljoen mensen over de Atlantische Oceaan. Schattingen lopen uiteen van ongeveer 550.000 tot 850.000. In de achttiende eeuw stierf soms tot 30 procent van hen tijdens de overtocht.7
Tot slaaf gemaakten verzetten zich op veel manieren. Sommigen vluchtten het oerwoud in. Zij vormden daar eigen gemeenschappen, waarmee het koloniale bestuur na 1760 vredesverdragen moest sluiten. Hun nakomelingen, de marrons, wonen nog steeds in het binnenland van Suriname.5
Suiker in de pap
Met de plantages raakte het voedselsysteem van Holland veel sterker verweven met de rest van de wereld. Graan kwam al eerder van ver, uit het Oostzeegebied (zie De Hanze en de Oostzeehandel). Nu kwamen er ook producten van andere continenten op tafel. Suiker ging in de pap en in het gebak. Koffie en thee werden in de achttiende eeuw steeds gewoner. Samen met cacao en jenever verdrongen ze voor een deel het bier. Dat raakte ook boeren hier: de hopteelt voor de brouwerijen kromp.8
Ook de verwerking gebeurde hier. In Amsterdam zuiverden suikerraffinaderijen de ruwe suiker tot witte suikerbroden. Tabak werd gesorteerd, gemengd en gesneden, ook met tabak uit eigen land (zie Meekrap, hennep, tabak en tulpen). Na 1760 verdrong tabak uit de Britse koloniën de tabak van Nederlandse boeren steeds meer.9 Zo gingen prijs en aanbod van eten in Holland afhangen van oogsten, oorlogen en schepen ver weg.
Afschaffing en doorwerking
Op Java voerde gouverneur-generaal Johannes van den Bosch in 1830 het cultuurstelsel in. Boeren moesten een vijfde van hun grond gebruiken voor gewassen voor de Europese markt, zoals koffie, suiker en indigo. De winst, het batig slot, ging naar de Nederlandse schatkist.10
Op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname en op de Antillen af. Bijna 47.000 mensen werden vrij verklaard. De eigenaren kregen 300 gulden per persoon in Suriname en 200 op de eilanden. De tot slaaf gemaakten kregen niets. In Suriname moesten zij nog tien jaar onder staatstoezicht op de plantages werken.11
Lang bleef dit verleden in Nederland op de achtergrond. Op 19 december 2022 bood premier Mark Rutte namens de regering excuses aan.12 Op 1 juli 2023 deed koning Willem-Alexander dat in Amsterdam ook.13 Voor veel nazaten was dat een begin, geen eindpunt.
Twee compagnieën
In 1602 bundelden kooplieden uit Amsterdam, Zeeland en andere steden hun schepen in de VOC. De Staten-Generaal gaven de compagnie het alleenrecht op de handel met Azië.1 In 1621 volgde de WIC, voor West-Afrika en Amerika.2
Eerst ging het om specerijen: peper, kruidnagel, nootmuskaat en foelie. Later werden suiker, koffie, thee en textiel belangrijker.1 Amsterdam werd de stapelmarkt van de wereld. Goederen kwamen daar aan, werden opgeslagen en verwerkt, en gingen weer door naar de rest van Europa.
Nootmuskaat en geweld op Banda
Nootmuskaat groeide alleen op de Banda-eilanden, in het oosten van de huidige Indonesische archipel. De VOC wilde de hele handel in handen hebben, maar de Bandanezen verkochten ook aan Engelse en andere handelaren. In 1621 voer gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen met een vloot naar de eilanden. Hij liet tientallen dorpshoofden, de orang kaya, martelen en terechtstellen; de Atlas of Mutual Heritage noemt er 44.3 Van de naar schatting 15.000 inwoners werd het grootste deel gedood, verdreven of tot slaaf gemaakt. Velen stierven op de vlucht van honger. Over de precieze aantallen verschillen historici. Eén schatting komt uit op negen op de tien inwoners, en een deel van de literatuur spreekt van de genocide op Banda.4
Daarna verdeelde de VOC de nootmuskaattuinen in percelen, de perken. De eigenaren, de perkeniers, moesten hun nootmuskaat en foelie aan de VOC verkopen. Het werk deden vooral tot slaaf gemaakte mensen.3 Zij werden van elders in de archipel en uit India en China aangevoerd; om het aantal op peil te houden, kwamen er jaarlijks nieuwe bij.4 Dit stelsel bleef bestaan tot 1873.3
Suiker uit de West
In het Atlantisch gebied draaide het vooral om suiker. De WIC veroverde in 1630 een deel van Brazilië, waar suikerriet werd geteeld, maar verloor het in 1654 weer.2 In 1667 nam een Zeeuwse vloot onder Abraham Crijnssen Suriname in. Langs de rivieren kwamen daar honderden plantages: een kaart uit 1735 telt er 440. Ze teelden vooral suiker en koffie, later ook cacao. Vanaf 1753 leenden Amsterdamse bankiers de planters grote bedragen.5 Vooral na 1765 groeide die kredietverlening snel, met de plantage als onderpand. Met het geld kochten planters vooral tot slaaf gemaakte mensen. Na een crisis op de Amsterdamse beurs begin 1773 kwamen veel planters in de problemen.6
Curaçao, veroverd in 1634, had een droge bodem en weinig landbouw. Het eiland werd vooral een handelspost en een markt waar tot slaaf gemaakte Afrikanen werden doorverkocht, onder meer naar Spaanse koloniën.7
Wie het werk deed
Suikerriet kappen, persen en het sap koken was zwaar werk. Planters lieten het doen door mensen die in Afrika gevangen waren genomen. Vanuit forten als Elmina, sinds 1637 in Nederlandse handen, vervoerden Nederlandse schepen ruim een half miljoen mensen over de Atlantische Oceaan. Schattingen lopen uiteen van ongeveer 550.000 tot 850.000. In de achttiende eeuw stierf soms tot 30 procent van hen tijdens de overtocht.7
Tot slaaf gemaakten verzetten zich op veel manieren. Sommigen vluchtten het oerwoud in. Zij vormden daar eigen gemeenschappen, waarmee het koloniale bestuur na 1760 vredesverdragen moest sluiten: met de Aukaners in 1760 en met de Saramaccaners in 1762. Hun nakomelingen, de marrons, wonen nog steeds in het binnenland van Suriname.5
Suiker in de pap
Met de plantages raakte het voedselsysteem van Holland veel sterker verweven met de rest van de wereld. Graan kwam al eerder van ver, uit het Oostzeegebied (zie De Hanze en de Oostzeehandel). Ook dat graan werd grotendeels onder dwang geteeld: Jan de Vries wijst erop dat de groei van het Hollandse platteland steunde op het werk van honderdduizenden horige boeren in Polen.22 Dat was een andere vorm van onvrijheid dan slavernij, maar ook goedkoop graan had elders een prijs.
Nu kwamen er ook producten van andere continenten op tafel. Suiker ging in de pap en in het gebak. Koffie en thee werden in de achttiende eeuw steeds gewoner. Samen met cacao en jenever verdrongen ze voor een deel het bier. Dat raakte ook boeren hier: de hopteelt voor de brouwerijen kromp.8 Toen de prijs van koffie, inmiddels een volksdrank, in de Franse tijd explodeerde, teelden boeren in Noord-Friesland cichorei als vervanger. Nederland telde toen 84 cichoreibranderijen, waarvan 62 in Friesland.20 Ook de suikerbiet kreeg een eerste kans toen de Engelse blokkade de aanvoer van rietsuiker afsneed. Napoleon gelastte in 1811 de teelt van suikerbieten in zijn rijk, maar van de 2.300 hectare die Nederland moest leveren, werd maar 422 hectare ingezaaid. Pas na 1860 werd de biet hier van betekenis.21
Ook de verwerking gebeurde hier. In 1661 telde Amsterdam 60 suikerraffinaderijen. Ze stookten met turf uit eigen land en leverden suiker aan een groot deel van Europa.23 Tabak werd gesorteerd, gemengd en gesneden, ook met tabak uit eigen land (zie Meekrap, hennep, tabak en tulpen). Na 1760 verdrong tabak uit de Britse koloniën de tabak van Nederlandse boeren steeds meer.9 Zo gingen prijs en aanbod van eten in Holland afhangen van oogsten, oorlogen en schepen ver weg.
Hoe belangrijk was de slavernij voor de economie?
In 2019 publiceerden Pepijn Brandon en Ulbe Bosma de eerste onderbouwde schatting. Volgens hen steunde in 1770 ongeveer 5,2 procent van het bruto binnenlands product van de Republiek op de Atlantische slavernij, en in Holland ruim 10 procent. Ze telden daarbij de hele keten mee: van het uitrusten van slavenschepen tot het verwerken en doorverkopen van suiker, koffie en tabak. Volgens hun berekening bestond in die tijd 19 procent van de Nederlandse handel uit goederen die tot slaaf gemaakten hadden geteeld.18
Andere historici leggen de nadruk anders. Piet Emmer noemde de berekening zorgvuldig, maar wees erop dat omgekeerd zo'n 95 procent van de economie niets met slavernij te maken had; daar lag volgens hem de basis van de welvaart.19
Afschaffing en doorwerking
Op Java voerde gouverneur-generaal Johannes van den Bosch in 1830 het cultuurstelsel in. Boeren moesten een vijfde van hun grond gebruiken voor gewassen voor de Europese markt, zoals koffie, suiker en indigo. Ook moesten zij, ter vervanging van de landrente, 66 dagen per jaar voor het gouvernement werken. De winst, het batig slot, ging naar de Nederlandse schatkist. Voor veel Javaanse boeren betekende het stelsel armoede, en in 1850 heerste in Demak en Grobogan hongersnood na een mislukte rijstoogst. Kritiek, onder meer in Multatuli's Max Havelaar, droeg bij aan de afbouw van het stelsel na 1870.10
Op 1 juli 1863 schafte Nederland de slavernij in Suriname en op de Antillen af. Bijna 47.000 mensen werden vrij verklaard. De eigenaren kregen 300 gulden per persoon in Suriname en 200 op de eilanden. De tot slaaf gemaakten kregen niets. In Suriname moesten zij nog tien jaar onder staatstoezicht op de plantages werken.11 Om de plantages draaiende te houden, haalde het koloniale bestuur contractarbeiders: vanaf 1853 uit China, vanaf 1873 uit Brits-Indië en later ook van Java.5
Lang bleef dit verleden in Nederland op de achtergrond. Op 19 december 2022 bood premier Mark Rutte namens de regering excuses aan.12 Op 1 juli 2023 deed koning Willem-Alexander dat in Amsterdam ook.13 Voor veel nazaten was dat een begin, geen eindpunt.
- Suiker, koffie, thee en cacao bleven vaste producten op de Nederlandse tafel. Amsterdam en de Zaanstreek bleven centra voor de verwerking ervan.
- De landbouw en het eten in Nederland bleven afhankelijk van grondstoffen van ver, zoals veevoer van overzee. Zie Het gat van Rotterdam.
- Of een land zijn voedsel van de wereldmarkt moet halen of zelf moet verbouwen, is nog steeds een vraag. Zie Wereldmarkt of zelfvoorziening?.
- Het cultuurstelsel bracht Nederland in de negentiende eeuw veel geld op, het batig slot.10
- Na de afschaffing kwamen contractarbeiders uit onder meer China, India en Java naar Suriname. Hun nakomelingen wonen nu in Suriname en in Nederland.5
- Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij herdacht en gevierd met Keti Koti. Er is discussie over een nationale vrije dag.14
- Vragen over eerlijke prijzen en arbeid in de keten spelen nog steeds, bijvoorbeeld bij cacao en koffie.
Vier perspectieven
De tot slaaf gemaakte
Zij was in Afrika gevangen genomen en verkocht, en wist niet waar de reis heen ging. Op de plantage bepaalde een ander wanneer ze werkte, at en sliep. Gezinnen konden worden verkocht en gescheiden. Toch bouwden tot slaaf gemaakten een eigen leven op, met taal, geloof en muziek, en met kostgrondjes waar ze hun eigen eten teelden. Velen verzetten zich, openlijk of in stilte.
De planter
De planter, of de beheerder namens een eigenaar in Holland, wilde een goede oogst en winst. Hij leende geld bij Amsterdamse handelshuizen en moest rente betalen. Een slechte oogst of een lage prijs kon hem de plantage kosten. Tot slaaf gemaakten zag hij als bezit en als arbeidskracht. Veel eigenaren kwamen zelf nooit in de kolonie.
De koopman in Amsterdam
Voor de koopman was de plantage een belegging en een bron van handel. Hij leende planters geld, kocht hun suiker en koffie, liet die verwerken en verkocht door naar heel Europa. Zijn winst hing af van prijzen, schepen en oorlog op zee. Wat er op de plantage gebeurde, kende hij vooral uit brieven en rekeningen.
De consument in Holland
Voor de stedeling werd suiker iets gewoons: in de pap, in het gebak, in de thee. Koffie en thee kwamen bij steeds meer mensen op tafel. Wie een suikerbrood kocht, zag de plantage niet. De prijs in de winkel hing intussen af van oogsten, slavenhandel en schepen ver weg. Waar dat eten vandaan kwam, was voor de meeste kopers geen vraag.
De tot slaaf gemaakte
Zij was in Afrika gevangen genomen en verkocht, en wist niet waar de reis heen ging. Op de plantage bepaalde een ander wanneer ze werkte, at en sliep. Gezinnen konden worden verkocht en gescheiden. Toch bouwden tot slaaf gemaakten een eigen leven op, met taal, geloof en muziek, en met kostgrondjes waar ze hun eigen eten teelden. Velen verzetten zich, openlijk of in stilte. Sommigen vluchtten en dwongen als marrons zelfs vredesverdragen af. Bij de afschaffing kregen niet zij, maar hun eigenaren een vergoeding.
De planter
De planter, of de beheerder namens een eigenaar in Holland, wilde een goede oogst en winst. Hij leende geld bij Amsterdamse handelshuizen en moest rente betalen. Een slechte oogst, een lage prijs of een beurscrisis kon hem de plantage kosten. Tot slaaf gemaakten zag hij als bezit, als arbeidskracht en als onderpand voor zijn leningen. Veel eigenaren kwamen zelf nooit in de kolonie en kenden hun bezit alleen van papier.
De koopman in Amsterdam
Voor de koopman was de plantage een belegging en een bron van handel. Hij leende planters geld, kocht hun suiker en koffie, liet die raffineren of verwerken en verkocht door naar heel Europa. Zijn winst hing af van prijzen, schepen, kredieten en oorlog op zee. Wat er op de plantage gebeurde, kende hij vooral uit brieven en rekeningen. Of zijn handel de Republiek rijk maakte, of vooral hemzelf, is nog altijd onderwerp van debat.
De consument in Holland
Voor de stedeling werd suiker iets gewoons: in de pap, in het gebak, in de thee. Koffie en thee kwamen bij steeds meer mensen op tafel, en wie geen koffie kon betalen, dronk cichorei van eigen bodem. Wie een suikerbrood kocht, zag de plantage niet. De prijs in de winkel hing intussen af van oogsten, slavenhandel en schepen ver weg. Waar dat eten vandaan kwam en onder welke omstandigheden het werd geteeld, was voor de meeste kopers geen vraag.
- Keti Koti is Sranantongo voor 'gebroken ketenen'. In Suriname heet 1 juli officieel de Dag der Vrijheden.14
- Bij de Vrede van Breda in 1667 hield de Republiek Suriname en het nootmuskaateiland Run, en ging Nieuw-Amsterdam officieel naar de Engelsen. Die stad heet nu New York.15
- Na de verovering in 1667 doopten de Zeeuwen Paramaribo om tot Nieuw Middelburg, een naam die nooit aansloeg. Het Engelse fort werd Fort Zeelandia.16
- In 1713 nam de Amsterdamse burgemeester Gerbrand Pancras een koffieplant uit de Hortus mee als geschenk voor de Franse koning Lodewijk XIV. Via Parijs kwam de koffie naar Frans-Guyana, en zo begon de koffieteelt in Zuid-Amerika.17
Suiker, koffie en thee werden in Holland gewoon, terwijl het werk overzee onder dwang gebeurde. Hoeveel moet je als koper weten over waar je eten vandaan komt? En wie is verantwoordelijk als het daar misgaat?
- Wikipedia (nl), 'Verenigde Oost-Indische Compagnie' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'West-Indische Compagnie' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Atlas of Mutual Heritage, 'Banda Lontor' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (en), 'Dutch conquest of the Banda Islands' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Geschiedenis van Suriname' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- P. Koudijs in 'Het woord aan… Peter Koudijs', ESB, rubriek Ceteris paribus (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Nederlandse slavenhandel' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 109. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 144. ↩
- Wikipedia (nl), 'Cultuurstelsel' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- CBS, 'Op 1 juli 1863 47 duizend slaven vrijgemaakt in Suriname en op de Antillen' (2013), link. ↩
- Rijksoverheid, 'Toespraak van minister-president Rutte over het slavernijverleden' (19 december 2022), link. ↩
- Tweede Kamer, 'Kamervoorzitter bij herdenking afschaffing slavernij' (2023), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Keti Koti' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Vrede van Breda (1667)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
- Wikipedia (nl), 'Paramaribo' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- D.O. Wijnands, 'De Hortus, mensen en planten', WUR eDepot (geraadpleegd 2026), link. ↩
- P. Brandon en U. Bosma, 'De betekenis van de Atlantische slavernij voor de Nederlandse economie in de tweede helft van de achttiende eeuw', TSEG 16 (2019), nr. 2, p. 5–46, link.
- NOS Nieuwsuur, 'De Nederlandse economie was voor vijf procent afhankelijk van slavernij' (25 juni 2019), link.
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 103.
- B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 277–278.
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 170.
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 240.
Verder lezen
- J. van Stipriaan, Surinaams contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie 1750–1863 (1993).
- M. van Pagee, Banda. De genocide van Jan Pieterszoon Coen (2021).
- G. Oostindie, Het verleden onder ogen. Herdenking van de slavernij (1999).
- Rijksmuseum, Slavernij (2021).