In dit schilderij
- De kaart van de Zuiderzee: een zee op papier herverdeeld.
- De rode lijn van de afsluitdijk.
- De getekende polders: nieuw land, nog voordat het bestaat.
- Passer en liniaal: de ingenieur als ontwerper van het land.
- Het visnet: het bestaan dat verloren ging.
Het nieuwe land
Op 14 juni 1918 kreeg Nederland de Zuiderzeewet. De Zuiderzee zou worden afgesloten met een dijk, en een deel ervan zou worden drooggelegd. Het was het grootste waterbouwproject in de Nederlandse geschiedenis. Het doel was veiligheid tegen overstromingen, en nieuw land voor de landbouw.
Op 14 juni 1918 kreeg Nederland de Zuiderzeewet. De Zuiderzee zou met een dijk worden afgesloten, en een deel ervan zou worden drooggelegd. Het werd het grootste waterbouwproject in de Nederlandse geschiedenis. Het doel was tweeledig: bescherming tegen overstromingen en nieuw land voor de landbouw. Op dat nieuwe land bepaalde de overheid voor het eerst zelf hoe het werd ingericht en wie er mocht boeren.
Een oud plan
De Zuiderzee was een binnenzee, die bij storm grote schade kon aanrichten. Plannen om haar in te polderen waren er al in de zeventiende eeuw: het eerste concrete plan kwam in 1667 van Hendrik Stevin. Maar de techniek ontbrak.1 Na de droogmaking van de Haarlemmermeer: droog met stoom groeide het vertrouwen dat het kon. Op 4 januari 1886 werd de Zuiderzeevereeniging opgericht, om te onderzoeken of droogleggen haalbaar was.1
Ingenieur Cornelis Lely voltooide in 1891 een plan: een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland, en een aantal polders in het afgesloten meer. Een staatscommissie adviseerde in 1892 om het plan uit te voeren.1 Lely werd drie keer minister van Waterstaat.2 Toch bleef zijn plan lang op de plank liggen, omdat het duur was en velen het niet nodig vonden. Lely schatte de kosten van het hele plan op tweehonderd miljoen gulden, ongeveer zoveel als de rijksbegroting van een jaar.1
Storm en honger
Twee gebeurtenissen gaven de doorslag. In de nacht van 13 op 14 januari 1916 brak een zware storm de dijken op verschillende plaatsen rond de Zuiderzee. Op Marken spoelden huizen weg en vielen zestien doden. Bij Katwoude brak de Waterlandse Zeedijk, en bijna heel Waterland, ten noorden van Amsterdam, liep onder water.3
Tegelijk woedde de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal, maar de invoer van voedsel en veevoer liep vast. Er waren tekorten, en boeren moesten zelfs verplicht graan leveren.4 Veiligheid en voedsel kwamen zo samen. Lely was toen voor de derde keer minister. In 1918 namen beide Kamers de wet aan, en zag Lely zijn plan alsnog werkelijkheid worden. Op 14 juni 1918 werd de Zuiderzeewet afgekondigd.5
Dijk en polders
Eerst kwam in 1926–1927 bij Andijk een proefpolder van 40 hectare, om te zien hoe de zeebodem zich als landbouwgrond zou gedragen.6 Daarna volgde de Wieringermeer, ongeveer 20.000 hectare, die op 21 augustus 1930 droogviel.7,8 De natuurkundige Hendrik Lorentz berekende vooraf hoe het water langs de Waddenkust na de afsluiting zou stijgen. Daardoor werd de dijk hoger dan eerst gepland.1
Op 28 mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten.1 De Zuiderzee werd het IJsselmeer, een zoetwatermeer. Lely maakte het niet meer mee: hij overleed in 1929.2 Daarna volgden de Noordoostpolder in 1942 en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland in 1957 en 1968.8 Urk en Schokland waren daarna geen eiland meer.9 De Markerwaard is er nooit gekomen.1
Nieuw land, nieuwe boeren
De nieuwe polders werden van bovenaf ingericht. De overheid ontwierp dorpen, wegen, boerderijen en kavels. In de Wieringermeer gaf de Directie Wieringermeer het land zelf uit, in pacht en in kavels van twintig hectare.7 Boeren moesten solliciteren om er een bedrijf te mogen pachten. Ze werden streng geselecteerd, zodat er een evenwichtige gemeenschap zou ontstaan.9
In de Noordoostpolder begon de uitgifte van grond in 1947. De eerste boeren kwamen vooral uit Friesland, Noord-Holland en Zeeland, onder meer van het in 1944 ondergelopen Walcheren. Na de watersnood van 1953 kregen ook veel boeren van de Zeeuwse eilanden er een plek, onder meer uit Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland.9
Wie verloor
Voor de vissers was de afsluiting een klap. Op de Zuiderzee visten zo'n drieduizend platbodems op haring, ansjovis, paling, bot en garnalen. In het zoete IJsselmeer hielden haring, bot en ansjovis het nog maar een paar jaar vol.10 In plaatsen als Urk, Volendam en Spakenburg moesten vissers een ander bestaan zoeken of verder op zee gaan vissen.
De Zuiderzeesteunwet van 1925 bood hulp: geld voor omscholing en hulp bij het vinden van ander werk. Pas in 1931 kwam er een vergoeding voor boten en netten die minder waard werden. Als het niet anders kon, kwam er een uitkering. In 1955 kregen nog zo'n 1600 mensen steun, vooral oude vissers en weduwen. Veel vissers vonden de hulp te mager: wat zij een pensioen noemden, bleek een vorm van armensteun.11
Ook de bestemming van het nieuwe land veranderde. In Flevoland kwamen naast boerderijen ook steden, zoals Lelystad en Almere, en beschermde gebieden zoals de Oostvaardersplassen. Wat begon als landbouwplan, werd een plan voor wonen, recreatie en nieuwe leefgebieden voor planten en dieren.
Een oud plan
De Zuiderzee was een binnenzee die bij storm grote schade kon aanrichten. Plannen om haar in te polderen bestonden al in de zeventiende eeuw: het eerste concrete plan kwam in 1667 van Hendrik Stevin. Maar de techniek om zo'n plan uit te voeren ontbrak.1 Na de droogmaking van de Haarlemmermeer: droog met stoom groeide het vertrouwen dat het kon. Op 4 januari 1886 werd de Zuiderzeevereeniging opgericht, om te onderzoeken of droogleggen haalbaar was.1
Ingenieur Cornelis Lely voltooide in 1891 een plan: een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland, en een aantal polders in het afgesloten meer. Een staatscommissie adviseerde in 1892 om het plan uit te voeren.1 Het hoofdmotief was landaanwinning. Lely wees daarnaast op veiligheid en op het voordeel van een kortere kustlijn: minder en lagere zeedijken. Omdat dat voordeel vooral bij de lokale besturen lag, was het voor het Rijk een zwak financieel argument.1 Lely werd drie keer minister van Waterstaat.2 Toch bleef zijn plan lang op de plank liggen, omdat het duur was en velen het niet nodig vonden. Lely schatte de kosten op tweehonderd miljoen gulden, ongeveer zoveel als de rijksbegroting van een heel jaar.1
Storm en schaarste
Twee gebeurtenissen gaven de doorslag. In de nacht van 13 op 14 januari 1916 brak een zware storm de dijken op verschillende plaatsen rond de Zuiderzee. Op Marken spoelden huizen weg en vielen zestien doden. Bij Katwoude brak de Waterlandse Zeedijk, en bijna heel Waterland, ten noorden van Amsterdam, liep onder water.3
Tegelijk woedde de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal, maar de invoer van voedsel, veevoer en kunstmest liep vast. Er ontstonden tekorten, en boeren moesten zelfs verplicht graan leveren.4 De kwetsbaarheid van een land dat voor zijn voedsel afhankelijk was van invoer, werd plotseling zichtbaar. Zo kwamen veiligheid en voedselvoorziening samen in één argument. Lely was toen voor de derde keer minister. In 1918 namen beide Kamers de wet aan, en op 14 juni 1918 werd de Zuiderzeewet afgekondigd.5
Dijk en polders
Eerst kwam in 1926–1927 bij Andijk een proefpolder van 40 hectare, om te onderzoeken hoe de zeebodem zich als landbouwgrond zou gedragen.6 Daarna volgde de Wieringermeer, ongeveer 20.000 hectare, die op 21 augustus 1930 droogviel.7,8 Die ene polder was al even groot als de vijf grootste droogmakerijen uit de Gouden Eeuw samen.8 De natuurkundige Hendrik Lorentz berekende vooraf hoe het water langs de Waddenkust na de afsluiting zou stijgen. Daardoor werd de dijk hoger dan eerst gepland.1
Op 28 mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten.1 De Zuiderzee werd het IJsselmeer, een zoetwatermeer. Lely maakte dat niet meer mee: hij overleed in 1929.2 Daarna volgden de Noordoostpolder (1942, 48.000 hectare) en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland (1957 en 1968, samen bijna 100.000 hectare).8 Urk en Schokland waren daarna geen eiland meer.9
De Markerwaard is er nooit gekomen. In de Noordoostpolder, die zonder randmeer direct tegen het oude land was aangelegd, daalde het grondwater in de omgeving. Rijkswaterstaat werd daardoor voorzichtig, ook uit vrees voor de houten paalfunderingen van Amsterdam. Begin jaren negentig werd besloten het Markermeer niet droog te leggen, met het oog op natuur, recreatie en drinkwater.1
Nieuw land, nieuwe boeren
De nieuwe polders werden van bovenaf ingericht, volgens planeconomische principes.7 De overheid ontwierp dorpen, wegen, boerderijen en kavels. Anders dan in de Haarlemmermeer, waar particulieren het land kochten, gaf in de Wieringermeer de Directie Wieringermeer het land zelf uit, in pacht en in kavels van twintig hectare.7 Dat was groot voor die tijd. Boeren moesten solliciteren om een bedrijf te mogen pachten, en ze werden streng geselecteerd, zodat er een evenwichtige gemeenschap zou ontstaan.9
In de Noordoostpolder werd het verkavelingsplan in 1939 vastgesteld, met Emmeloord als centrum op het kruispunt van de hoofdvaarten. Eerst waren vijf dorpen gepland, later werden het er tien.9 De uitgifte van grond begon in 1947. De eerste boeren kwamen vooral uit Friesland, Noord-Holland en Zeeland, onder meer van het in 1944 ondergelopen Walcheren. Na de watersnood van 1953 kregen ook veel boeren van de Zeeuwse eilanden er een plek, onder meer uit Schouwen-Duiveland, Tholen en Zuid-Beveland.9 Het nieuwe land diende zo ook als opvang voor boeren die elders hun bedrijf hadden verloren.
Wie verloor
Voor de vissers was de afsluiting een harde klap. Op de Zuiderzee visten zo'n drieduizend platbodems op haring, ansjovis, paling, bot en garnalen. In het zoete IJsselmeer hielden haring, bot en ansjovis het nog maar een paar jaar vol.10 In plaatsen als Urk, Volendam en Spakenburg moesten vissers een ander bestaan zoeken of verder op zee gaan vissen.
De Zuiderzeesteunwet van 1925 bood hulp: geld voor omscholing en bemiddeling naar ander werk. Pas in 1931 kwam er een vergoeding voor boten en netten die in waarde daalden. Als het niet anders kon, volgde een uitkering. In 1955 kregen nog zo'n 1600 mensen steun, vooral oude vissers en weduwen. Veel vissers vonden de hulp te mager: wat zij een pensioen noemden, bleek een vorm van armenzorg.11 Hier botsten twee belangen die de overheid allebei zei te dienen: de landbouw van de toekomst en een bestaand bedrijf aan de kust.
Van landbouwplan naar ruimtelijk plan
Ook de bestemming van het nieuwe land veranderde in de loop van de eeuw. In Flevoland kwamen naast boerderijen ook steden, zoals Lelystad en Almere, en beschermde gebieden zoals de Oostvaardersplassen. Wat begon als landbouwplan, werd een plan voor wonen, recreatie en nieuwe leefgebieden voor planten en dieren. Die verschuiving weerspiegelt een bredere verandering: nieuw land werd niet langer vanzelfsprekend als akker gezien.
- De Zuiderzeewerken leverden ongeveer 165.000 hectare nieuw land op.8 De polders behoren tot de meest productieve landbouwgronden van het land.
- In de jaren tachtig waren de IJsselmeerpolders het belangrijkste gebied voor de teelt van pootaardappelen.12 Ook de bloembollenteelt verschoof deels naar nieuwe gebieden, zoals de Noordoostpolder.13
- De polders werden een proeftuin voor moderne, grootschalige landbouw. Dat model werkte door in de Ruilverkaveling en in het denken van Sicco Mansholt, zelf boer in de Wieringermeer.14 Zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Het IJsselmeer is een grote voorraad zoet water voor landbouw en drinkwater. Bij droogte wordt die voorraad steeds belangrijker. Zie Klimaat: uitstoot, water en bodem.
- De Wieringermeer werd op 17 april 1945 door de Duitse bezetter onder water gezet, aan het eind van de Hongerwinter. Zie Oorlog en wederopbouw. Zo'n vierhonderd boerderijen werden verwoest. Op 11 december 1945 lag de polder weer droog.7
- Sinds 2016 worden in het Markermeer de Marker Wadden aangelegd: eilanden voor vogels, vissen en planten, waar eerst een polder was gepland.15
Vier perspectieven
De ingenieur
Voor ingenieurs was de Zuiderzeewet de kroon op eeuwen van waterbouw. Ze ontwierpen niet alleen een dijk, maar een heel nieuw landschap, tot de plek van elke boerderij en elk dorp. Ze leerden onderweg: van de proefpolder, van de berekeningen van Lorentz, van elke nieuwe polder. Het werk gaf Nederland wereldwijd naam als waterbouwland.
De visser
Voor vissers betekende de afsluiting het einde van een eeuwenoud bestaan. Ze werden beperkt gecompenseerd. Een uitkering of omscholing was iets anders dan een eigen schip en een eigen vak. Velen voelden dat hun belangen ondergeschikt werden gemaakt aan die van de landbouw. In Urk en Volendam leeft die herinnering nog.
De nieuwe boer
Wie werd uitgekozen voor een bedrijf in de polder, kreeg een kans op modern land met goede grond. Voor een boerenzoon die thuis geen bedrijf kon overnemen, was dat een uitkomst. Maar de pachters waren gebonden aan strenge regels van de overheid, over het bedrijf en soms over het leven in het dorp. Vrijheid en zekerheid gingen niet altijd samen.
De overheid
Voor de staat was het project een manier om veiligheid, voedsel en werk te regelen. Nooit eerder had de overheid zo ver ingegrepen in de inrichting van het land. Ze koos wie er mocht wonen, hoe groot een bedrijf werd en waar de kerk kwam. Dat werd een voorbeeld voor latere plannen, zoals de Ruilverkaveling.
De ingenieur
Voor ingenieurs was de Zuiderzeewet de kroon op eeuwen van waterbouw. Ze ontwierpen niet alleen een dijk, maar een volledig nieuw landschap, tot de plek van elke boerderij en elk dorp. Ze leerden onderweg: van de proefpolder, van de berekeningen van Lorentz, en van de grondwaterproblemen rond de Noordoostpolder. Het werk gaf Nederland wereldwijd naam als waterbouwland en bevestigde het vertrouwen in technische planning.
De visser
Voor vissers betekende de afsluiting het einde van een eeuwenoud bestaan. Ze werden slechts beperkt gecompenseerd. Een uitkering of omscholing was iets anders dan een eigen schip en een eigen vak, en de hulp voelde voor velen als armenzorg. Velen hadden het gevoel dat hun belangen ondergeschikt werden gemaakt aan die van de landbouw. In Urk, Volendam en Spakenburg leeft die herinnering nog.
De nieuwe boer
Wie werd uitgekozen voor een bedrijf in de polder, kreeg een kans op modern land met goede kleigrond en een kavel die groter was dan veel bedrijven elders. Voor een boerenzoon die thuis geen bedrijf kon overnemen, of voor een Zeeuwse boer die zijn land had verloren, was dat een uitkomst. Maar de pachters waren gebonden aan strenge regels van de overheid, over het bedrijf en soms over het leven in het dorp. Vrijheid en zekerheid gingen niet altijd samen.
De overheid
Voor de staat was het project een manier om veiligheid, voedsel en werk tegelijk te regelen. Nooit eerder had de overheid zo ver ingegrepen in de inrichting van het land. Ze koos wie er mocht wonen, hoe groot een bedrijf werd en waar de kerk kwam. Dat model van planmatige inrichting werd een voorbeeld voor latere plannen, zoals de Ruilverkaveling.
- Op de Afsluitdijk staat een standbeeld van Lely, gemaakt door Mari Andriessen. Het werd onthuld op 23 september 1954, Lely's honderdste geboortedag.2
- Lely was tussen zijn ministerschappen ook gouverneur van Suriname, van 1902 tot 1905. De stad Lelystad is naar hem genoemd.2
- In de oorlog doken naar schatting zo'n twintigduizend mensen onder in de Noordoostpolder. Wie er werkte, hoefde niet in Duitsland te werken. In Espel en Creil herinneren de Onderduikersweg en het Onderduikerspad daaraan.9
- In 1937 dacht een vooraanstaand landbouwvoorlichter dat er in heel Nederland plaats was voor hooguit drie maaidorsers, zelfs met de nieuwe IJsselmeerpolders erbij. In 1960 waren het er al zesduizend.16
In de Zuiderzeepolders bepaalde de overheid wie er mocht boeren en hoe. Hoeveel invloed moet de overheid nu hebben op het gebruik van landbouwgrond?
- Wikipedia (nl), 'Zuiderzeewerken' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Cornelis Lely' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Stormvloed van 1916' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 156. ↩
- Wikipedia (nl), 'Zuiderzeewet' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Proefpolder Andijk' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Wieringermeer' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 43. ↩
- Wikipedia (nl), 'Noordoostpolder' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Zuiderzee' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Zuiderzeesteunwet' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 267. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 297. ↩
- Wikipedia (nl), 'Sicco Mansholt' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Marker Wadden' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 259. ↩
Verder lezen
- Zuiderzeemuseum (Enkhuizen).
- Nieuw Land Erfgoedcentrum (Lelystad).