In dit schilderij
- Schapen in de potstal, op een dikke laag strooisel.
- Een boer met een riek strooit verse heideplaggen.
- De plaggenschop tegen de wand: het gereedschap van het systeem.
- De paarse heide door de staldeur: de bron van de mest.
- De bolle es in de verte, opgehoogd door eeuwen bemesting.
Plaggen en potstal
Op de arme zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland en Brabant konden boeren eeuwenlang alleen graan telen dankzij de heide en het vee dat daar graasde. Vooral na 1700 staken ze steeds meer heideplaggen, mengden die in de stal met mest en brachten dat op de akker. Zo hielden ze de grond vruchtbaar, maar het kostte veel heide en veel werk. Het systeem vormde een landschap dat nog altijd herkenbaar is, en een heide die nu beschermd wordt om haar planten en dieren.
Op de arme zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland en Brabant konden boeren eeuwenlang alleen graan telen dankzij de heide en het vee dat daar graasde. Vooral na 1700 staken ze steeds meer heideplaggen, mengden die in de stal met mest en brachten dat op de akker. Zo hielden ze de grond vruchtbaar, maar het kostte veel heide en veel arbeid. Historici zien het systeem niet langer als een eeuwenoude, onveranderlijke kringloop, maar als een antwoord op economische druk. Het vormde een landschap dat nog altijd herkenbaar is, en een heide die nu beschermd wordt om haar planten en dieren.
Arme grond
Zandgrond houdt weinig voedingsstoffen en weinig water vast. Wie er jaar na jaar rogge op verbouwt, put de bodem snel uit. Kunstmest bestond nog niet. Boeren op het zand moesten dus een andere manier vinden om hun akkers vruchtbaar te houden.
Die vonden ze in de woeste gronden rond de dorpen: heide, broek en bos. Die werden samen gebruikt. In Overijssel en Gelderland waren ze vaak gezamenlijk bezit van de boeren in een marke; in Brabant en Limburg hoorde de heide meestal aan de gemeente.1 In Drenthe bestond geen aparte marke naast het dorp. Daar bestuurde de buurschap, 'de buur', het dorp met al zijn gronden, ook de akkers. Het woord markegenootschap raakte er pas in de negentiende eeuw in gebruik.2
Van heide naar akker
In de zeventiende eeuw kwam de mest in Drenthe vooral van runderen. Het dorpsvee graasde op de heide en na de oogst op de stoppels van de akkers, en bemestte die zo met weinig werk. Schapen hield men toen vooral voor de wol.3 Na 1690, en vooral nadat de veepest van de jaren 1740 veel runderen had gedood, namen schapen die rol over.4,5
Boeren staken met een plaggenschop dunne zoden van de heide en de beekdalen: de plaggen. Die strooiden ze in een verdiepte stal, de potstal. Daar vermengden ze zich met mest en urine van het vee, dat steeds hoger kwam te staan tot de stal werd uitgemest.6
Het mengsel van plaggen en mest ging op de akker. De mest leverde voedingsstoffen, de plaggen humus, die water en voeding vasthoudt in de schrale zandgrond. Met de plaggen kwam ook zand mee. Zo groeide op veel akkers een donkere bovenlaag, het plaggendek. In Twente is dat vaak 80 tot 100 centimeter dik.7 Op de Drentse essen is het meestal maar 30 tot 50 centimeter.8
Hoe oud is het systeem?
Lang dachten historici dat het plaggensysteem al in de vroege middeleeuwen bestond, en dat een plaggendek een millimeter per jaar groeide. Nieuwer onderzoek, onder meer van Theo Spek, laat zien dat dat niet klopt. De essen zelf zijn vaak oud, maar de plaggendekken in Noord-Nederland ontstonden pas in de vijftiende en zestiende eeuw.7
Jan Bieleman liet zien dat Drentse boeren pas na 1700 op grote schaal heideplaggen gingen steken. In Anloo mocht een boer per vol aandeel in 1684 acht karrenvrachten plaggen steken, in 1726 vierentwintig en rond 1835 zestig.4 Lage graanprijzen en hoge belastingen dwongen boeren meer te produceren, en dat kon alleen met meer mest en meer werk.9 Plaggen steken, vervoeren en verwerken kostte volgens een Duitse tijdgenoot de helft van alle arbeidstijd van een boer.10
Veel heide voor weinig akker
Een veelgenoemde schatting is acht tot tien hectare heide voor één hectare akker, al wordt dat schoolbeeld nu ook bekritiseerd.11 Zo werden de voedingsstoffen van een groot gebied naar een klein stuk akker gebracht. De heide werd armer, de akker rijker.
Te veel vee op de heide maakte de bodem kaal. Na 1580 breidden Drentse boeren hun kuddes uit, omdat de vraag naar wol groeide. Rond 1650 klaagde Dwingeloo dat de heide 'geheel tot zand verstoft' was.12 Na 1660 nam het aantal schapen af, maar tussen ongeveer 1685 en 1780 groeide het weer, en het stuifzand werd opnieuw een bedreiging.13 Op het hoogtepunt, in de negentiende eeuw, lag er in Nederland zo'n 80.000 hectare stuifzand.14
De dorpen stelden daarom regels op. Vanaf 1632 drong het Drentse bestuur erop aan dat de buurschappen vastlegden hoeveel vee en hoeveel plaggen elk aandeel mocht hebben.15
Het einde van een systeem
In de negentiende eeuw werden de marken verdeeld. Een Koninklijk Besluit van 1837 gaf wetten uit 1809 en 1810 weer kracht. De meeste markegrond werd tussen 1840 en 1870 verdeeld; de Markewet van 1886 regelde de rest.16 In Drenthe bestond de verdeling vaak alleen op papier: de dag na de scheiding liepen de kuddes alweer over de nieuwe greppels.17,18
Plaggen werden al minder belangrijk doordat hogere graanopbrengsten meer stro gaven.19 Na 1890 kwam kunstmest, en rond 1910 strooiden boeren op het zand alleen nog stalmest met stro.20 De schaapskuddes verdwenen: in Drenthe liepen er in 1867 nog 136.271 schapen, in 1910 nog 62.842.13,21
In de negentiende eeuw lag er in Nederland naar schatting 600.000 tot 800.000 hectare heide. Rond 2000 was dat nog zo'n 43.000 hectare.22,23 Die heide moet worden beheerd met maaien, plaggen en begrazing, want anders groeit ze dicht met gras en bos. Stikstof uit de lucht versnelt dat.23
Arme grond, schaarse mest
Zandgrond houdt weinig voedingsstoffen en weinig water vast. Wie er jaar na jaar rogge op verbouwt, put de bodem snel uit. Kunstmest bestond nog niet. Boeren op het zand moesten dus een andere manier vinden om hun akkers vruchtbaar te houden, en mest was daarbij de beperkende factor.
Die vonden ze in de woeste gronden rond de dorpen: heide, broek en bos. Die werden gemeenschappelijk gebruikt. In Overijssel en Gelderland waren ze vaak gezamenlijk bezit van de boeren in een marke; in Brabant en Limburg hoorde de heide meestal aan de gemeente.1 In Drenthe bestond geen aparte marke naast het dorp. Daar bestuurde de buurschap, 'de buur', het dorp met al zijn gronden, ook de akkers. Het woord markegenootschap raakte er pas in de negentiende eeuw in gebruik.2 De regionale verschillen in bestuur waren dus groter dan het gangbare beeld van 'de marke' doet vermoeden.
Van stoppelweide naar potstal
In de zeventiende eeuw kwam de mest in Drenthe vooral van runderen. Het dorpsvee graasde op de heide en na de oogst op de stoppels van de akkers, en bemestte die zo met weinig arbeid. Schapen hield men toen vooral voor de wol.3 Bovendien werd een flink deel van het bouwland aan de randen van de essen maar af en toe bebouwd en nauwelijks bemest. Zo'n extensieve bedrijfsvoering had veel minder plaggen nodig dan de negentiende-eeuwse beschrijvingen suggereren.9
Na 1690, en vooral nadat de veepest van de jaren 1740 veel runderen had gedood, namen schapen de rol van mestproducent over.4,5 Daar waren ook zakelijke redenen voor. Een schaap was in de winter veel goedkoper te onderhouden dan een rund. Bovendien werd de belasting op rundvee eind zeventiende eeuw verdubbeld, terwijl die op schapen veel lager lag.5
Boeren staken met een plaggenschop dunne zoden van de heide en de beekdalen: de plaggen. Die strooiden ze in een verdiepte stal, de potstal. Daar vermengden ze zich met mest en urine van het vee, dat steeds hoger kwam te staan tot de stal werd uitgemest.6 Daarnaast lieten boeren hun schapen 's nachts op hun eigen akkers staan, binnen verplaatsbare hekken. Die meer individuele vorm van bemesting verving in de achttiende eeuw de oude, collectief geregelde stoppelweide.9
Een donkere laag op de es
Het mengsel van plaggen en mest ging op de akker. De mest leverde voedingsstoffen, de plaggen humus, die water en voeding vasthoudt in de schrale zandgrond. Met de plaggen kwam ook zand mee. Zo groeide op veel akkers een donkere bovenlaag, het plaggendek. In Twente is dat vaak 80 tot 100 centimeter dik.7 Op de Drentse essen is het meestal maar 30 tot 50 centimeter.8 Een dikker humusrijk dek hield meer vocht vast. Daardoor nam op de hoger gelegen essen de kans op een mislukte oogst door droogte op den duur af.28
Hoe oud is het systeem?
Lang dachten historici dat het plaggensysteem al in de vroege middeleeuwen bestond, en dat een plaggendek een millimeter per jaar groeide. Nieuwer onderzoek, onder meer van Theo Spek, laat zien dat dat niet klopt. De essen zelf zijn vaak oud, maar de plaggendekken in Noord-Nederland ontstonden pas in de vijftiende en zestiende eeuw.7
Het oudere beeld had ook een ideologische kant. Sommige auteurs beschreven het Drentse esdorp als een duizendjarige, stabiele kringloop, of zelfs als een 'milieuvriendelijke economie' met een vaste verhouding tussen bouwland, grasland en heide. Bieleman ziet daarin een romantisering van het verleden, mede voortgekomen uit onvrede over de snelle veranderingen in landbouw en landschap na de Tweede Wereldoorlog.27 De veelgenoemde schatting van acht tot tien hectare heide voor één hectare akker hoort bij dat schoolbeeld en wordt nu eveneens bekritiseerd.11
Intensivering onder druk
Jan Bieleman liet zien dat Drentse boeren pas na 1700 op grote schaal heideplaggen gingen steken. In Anloo mocht een boer per vol aandeel in 1684 acht karrenvrachten plaggen steken, in 1726 vierentwintig en rond 1835 zestig.4 Waarom deze intensivering? Volgens Bieleman lagen de oorzaken vooral in de economische omstandigheden na ongeveer 1660. Lage graanprijzen en een sterk gestegen belastingdruk dwongen boeren meer te produceren, en dat kon alleen met meer mest en meer arbeid.9 Plaggen steken, vervoeren en verwerken kostte volgens een Duitse tijdgenoot de helft van alle arbeidstijd van een boer.10 Boeren werkten zelf langer en harder en namen keuters in dienst als goedkope seizoensarbeiders; hun aantal groeide in deze periode sterk.9
Zo werden de voedingsstoffen van een groot gebied naar een klein stuk akker gebracht. De heide werd armer, de akker rijker. Te veel vee op de heide maakte de bodem bovendien kaal. Na 1580 breidden Drentse boeren hun kuddes uit, omdat de vraag naar wol groeide. Rond 1650 klaagde Dwingeloo dat de heide 'geheel tot zand verstoft' was.12 Na 1660 nam het aantal schapen af, maar tussen ongeveer 1685 en 1780 groeide het weer, en het stuifzand werd opnieuw een bedreiging.13 Op het hoogtepunt, in de negentiende eeuw, lag er in Nederland zo'n 80.000 hectare stuifzand.14 De dorpen stelden daarom regels op. Vanaf 1632 drong het Drentse bestuur erop aan dat de buurschappen vastlegden hoeveel vee en hoeveel plaggen elk aandeel mocht hebben.15
Het einde van een systeem
In de negentiende eeuw werden de marken verdeeld. Een Koninklijk Besluit van 1837 gaf wetten uit 1809 en 1810 weer kracht. De meeste markegrond werd tussen 1840 en 1870 verdeeld; de Markewet van 1886 regelde de rest.16 In Drenthe bestond de verdeling vaak alleen op papier: de dag na de scheiding liepen de kuddes alweer over de nieuwe greppels.17,18 Zolang de akker afhing van schapenmest, bleef de heide onmisbaar.
Plaggen werden al minder belangrijk doordat hogere graanopbrengsten meer stro gaven.19 Na 1890 kwam kunstmest, en rond 1910 strooiden boeren op het zand alleen nog stalmest met stro.20 De schaapskuddes verdwenen: in Drenthe liepen er in 1867 nog 136.271 schapen, in 1910 nog 62.842.13,21
In de negentiende eeuw lag er in Nederland naar schatting 600.000 tot 800.000 hectare heide. Rond 2000 was dat nog zo'n 43.000 hectare.22,23 Die heide is een cultuurlandschap: ze moet worden beheerd met maaien, plaggen en begrazing, want anders groeit ze dicht met gras en bos. Stikstof uit de lucht versnelt dat.23 Wat ooit een werkplaats voor de akkerbouw was, wordt nu met vergelijkbare middelen in stand gehouden om zijn planten en dieren.
- De essen en esdorpen in Drenthe en op andere zandgronden zijn nog altijd herkenbaar. Plaggendekken gelden als archeologische schatkamers, en enkele essen zijn wettelijk beschermd.7
- Kunstmest maakte een einde aan het plaggensysteem en zette de grote heideontginningen in gang. Zie Kunstmest en De heide-ontginning.
- Anderhalve eeuw intensief plaggen verzuurde de Drentse essen. Samen met de rook van het veenbranden voor boekweit leidde dat in de jaren 1860 en 1870 tot de 'ziekte der Drentsche essen': mislukte roggeoogsten.24
- De mest uit de stal was eeuwenlang schaars en kostbaar. Later kwam er op de zandgronden juist te veel mest op het land. Op droge zandgrond spoelen stikstof en fosfaat makkelijker uit dan op klei of veen. Zie Het mestprobleem en zure regen.
- Natuurbeheerders gebruiken nu schapen, runderen en plaggen om de heide open te houden, mede tegen de stikstofneerslag.25 Zie De PAS-uitspraak en Natuur is mensenwerk.
- Stuifzanden werden in de negentiende en twintigste eeuw vastgelegd met dennenbos.14 Nu worden sommige weer opengemaakt, omdat open zand zeldzaam is geworden. Langs het Kootwijkerzand werd daarvoor in 2004 en 2005 bos gekapt.26
Vier perspectieven
De boer
Voor de boer op het zand was het plaggen zwaar, eindeloos werk, maar het was de enige manier om brood op tafel te krijgen. Een goede es was de kostbaarste grond van het dorp. Hij wist precies hoeveel schapen zijn deel van de heide kon dragen. Kunstmest maakte later een einde aan dat werk, en daarmee ook aan de waarde van zijn rechten op de heide.
De heide
Het landschap werd door het systeem gevormd. De heide bleef open door begrazing en plaggen. Waar de druk te groot werd, ontstond kaal stuifzand. Planten en dieren van arme, open grond vonden hier juist hun plek, zoals de tapuit en de boomleeuwerik. Zonder beheer groeit de heide dicht, en verdwijnen zij weer.
De marke
De marke, of in Drenthe de buurschap, beheerde de gemeenschappelijke grond. Ze moest voorkomen dat iedereen te veel nam. Dat vroeg om regels, toezicht en boetes. Het is een vroeg voorbeeld van gezamenlijk beheer van schaarse natuurlijke bronnen. Met de verdeling van de marken in de negentiende eeuw verdween die vorm van zelfbestuur.
De wandelaar van nu
Wie nu over de heide wandelt, ziet een beschermd gebied vol planten en dieren. Weinig mensen weten dat dit landschap door boeren is gemaakt. Het beheer ervan kost nu geld, en dat betaalt de samenleving. Wie een kudde schapen met een herder ziet, kijkt naar een overblijfsel van het oude boerenbedrijf, nu in dienst van het beheer van de heide.
De boer
Voor de boer op het zand was het plaggen zwaar, eindeloos werk, maar het was de enige manier om brood op tafel te krijgen. Toen prijzen daalden en belastingen stegen, kon hij alleen overleven door nog meer plaggen te steken en nog harder te werken. Een goede es was de kostbaarste grond van het dorp. Hij wist precies hoeveel schapen zijn deel van de heide kon dragen. Kunstmest maakte later een einde aan dat werk, en daarmee ook aan de waarde van zijn rechten op de heide.
De heide
Het landschap werd door het systeem gevormd. De heide bleef open door begrazing en plaggen. Waar de druk te groot werd, ontstond kaal stuifzand. Planten en dieren van arme, open grond vonden hier juist hun plek, zoals de tapuit en de boomleeuwerik. Die soorten zijn dus afhankelijk van menselijk gebruik. Zonder beheer groeit de heide dicht, en verdwijnen zij weer; stikstof uit de lucht versnelt dat proces.
De marke
De marke, of in Drenthe de buurschap, beheerde de gemeenschappelijke grond. Ze moest voorkomen dat iedereen te veel nam. Dat vroeg om regels, toezicht en boetes, en die regels werden steeds strenger naarmate de druk op de heide toenam. Het is een vroeg voorbeeld van gezamenlijk beheer van schaarse hulpbronnen. Met de verdeling van de marken in de negentiende eeuw verdween die vorm van zelfbestuur.
De wandelaar van nu
Wie nu over de heide wandelt, ziet een beschermd gebied vol planten en dieren. Weinig mensen weten dat dit landschap door boeren is gemaakt, en dat het nooit een ongerepte wildernis was. Het beheer ervan kost nu geld, en dat betaalt de samenleving. Wie een kudde schapen met een herder ziet, kijkt naar een overblijfsel van het oude boerenbedrijf, nu in dienst van het beheer van de heide.
- Een es heet in Midden-Nederland een eng en in Oost-Nederland een enk. In Brabant spreekt men van akkers, in Limburg van velden.7
- Nederland heeft met zo'n 191.200 hectare het grootste areaal dikke plaggendekken van Europa. Meer dan de helft ligt in Brabant; in Drenthe, het land van de essen, maar 11.000 hectare.7
- Het Kootwijkerzand op de Veluwe, ruim 600 hectare, behoort tot het grootste actieve stuifzandgebied van West-Europa.26
- Van het stuifzand van de negentiende eeuw was rond 2000 nog iets meer dan 2.000 hectare over, verdeeld over 113 meestal kleine terreinen.14
De heide was eeuwenlang een werkplaats voor de boer en is nu een beschermd gebied voor planten en dieren. Wie bepaalt wat een landschap mag zijn?
- P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 38, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 38–39. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 481–482. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 138. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 490. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 75. ↩
- J. van Doesburg, 'Kennis over Nederlandse essenlandschappen en plaggendekken gebundeld', Historisch-Geografisch Tijdschrift (2008), nr. 2, p. 67–72, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 606. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 614–615. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 607. ↩
- J. van Mourik en B. Jansen, 'Enkdekken ontleed met biomarkers', Geografie 25 (2016), nr. 8, p. 31, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 67–68. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 445–447. ↩
- Expertisecentrum LNV, 'Laat maar stuiven', Nieuwsbrief OBN 2000/10, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 37–38. ↩
- P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 38–39, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 227. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 40. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 41. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 141–142. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 209. ↩
- C. van Swaay en M. Poot, 'Worden de vlinders op de hei steeds gewoner?', Vlinders 31 (2016), nr. 3, link. ↩
- J. Kros e.a., Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. Achtergrondrapport, Alterra-rapport 1698 (2008), p. 47, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 659–660. ↩
- J. Bokdam, J.M. Gleichman en M. Batterink, 'Zwart-bont tussen groen en paars. Vier jaar begrazing met runderen op de Wolfhezerheide', Huid en Haar 5 (1986), nr. 4, link. ↩
- S. Deuzeman, De broedvogels van Boswachterij Kootwijk-Loobos in 2009, SOVON-inventarisatierapport 2009/71 (2010), link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 26 en 29.
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 613–614.
Verder lezen
- Th. Spek, Het Drentse esdorpenlandschap. Een historisch-geografische studie (2004).
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).