In dit schilderij
- De grijze trekker: de mechanisatie komt het erf op.
- Het werkpaard: na eeuwen niet meer nodig.
- De boer tussen paard en trekker: een keuze voor de toekomst.
- De jonge man met de koffer: vertrek naar stad of buitenland.
- De schuurdeur: de oude boerderij moet zich aanpassen.
De trekker en de boerenexodus
In de jaren vijftig en zestig verdween het paard van het boerenerf en kwam de trekker. Met machines kon één boer veel meer werk doen. Maar dat betekende ook dat er minder boeren en landarbeiders nodig waren. Arbeid werd duur, en wie niet groeide, verdiende te weinig: de tredmolen. Honderdduizenden mensen verlieten de landbouw, naar de stad, de fabriek of het buitenland.
In de jaren vijftig en zestig verdween het paard van het boerenerf en kwam de trekker. Achter die mechanisatie zat een economische dwang: lonen stegen snel, de prijzen van melk en graan nauwelijks. Met machines kon één boer veel meer werk doen, maar er waren ook veel minder boeren en landarbeiders nodig. Honderdduizenden mensen verlieten de landbouw, naar de stad, de fabriek of het buitenland.
Te veel boeren op te weinig grond
Rond 1950 werkten er in de landbouw zo'n 750.000 mensen.1 Veel van hen hadden een klein bedrijf, vooral op de zandgronden in het oosten en zuiden.2 Lange tijd was de gewoonte dat elke boerenzoon zelf boer werd. Door ontginning kon dat, maar ook door het ouderlijk bedrijf te splitsen. Zie De heide-ontginning.
Landbouweconoom Krijn Poppe ziet hierin een patroon dat steeds terugkomt: in goede tijden ontstaat de kwetsbaarheid voor de volgende crisis. Ontginning en kunstmest maakten na 1890 veel nieuwe kleine bedrijven mogelijk. Toen er in de jaren dertig weinig meer te ontginnen viel en de prijzen daalden, bleken die bedrijven te klein voor een goed inkomen.3 Dat heette het kleine-boerenvraagstuk.
Op veel van die kleine bedrijven was niet genoeg werk voor een volle kracht. Er was verborgen werkloosheid: mensen werkten mee, maar waren eigenlijk niet nodig. Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) concludeerde in 1951 dat er meer boerenzonen waren dan er ooit bedrijven voor hen zouden zijn. Een deel moest werk buiten de landbouw zoeken.2 Volgens Poppe raadde de studie zelfs af om boerenzonen naar de landbouwschool te sturen, omdat dat hen ongeschikt maakte voor ander werk.3
Van paard naar trekker
Na de oorlog werkten de meeste boeren nog met paarden. De bedrijven waren klein en een trekker was duur, dus voor veel boeren was een machine niet de moeite waard.4 Dat veranderde snel. Arbeid werd schaarser en duurder, en met geld uit de Marshallhulp (zie Oorlog en wederopbouw) en dankzij betere inkomens kwamen er steeds meer trekkers. Tussen 1950 en 1960 werden het er ruim drie keer zoveel. Rond 1970 was het paard grotendeels van het erf verdwenen.4
Een bekend model was de kleine, grijze Ferguson TE20, de 'Little Grey Fergie'. De grote vernieuwing was de hydraulische driepuntshefinrichting. Daarmee kon de boer een ploeg of ander werktuig vanaf zijn zitplaats optillen en laten zakken. Dat systeem werd wereldwijd de standaard, voor trekkers van elk merk.5
Er kwamen ook melkmachines, maaidorsers en kunstmeststrooiers.4,6 Werk dat vroeger een hele ploeg mensen vergde, kon nu door één boer worden gedaan. Waar het paard verdween, kwam bovendien land vrij dat eerder haver en hooi voor de paarden leverde.
Groeien of wijken
Machines kostten geld. Om ze terug te verdienen, moest een bedrijf groter worden. 'Groeien of wijken' werd het motto van die jaren. Volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman zat de motor in de prijzen: lonen stegen snel, maar melk en tarwe werden nauwelijks duurder. Een boer moest dus steeds meer produceren per arbeidskracht.7 De overheid stimuleerde dat met voorlichting, kredieten en Ruilverkaveling.
Economen noemen dit de tredmolen: wie als eerste arbeid bespaart, produceert goedkoper en kan groeien; volgen de anderen, dan zakt de prijs, en wie niet meegaat, houdt te weinig over.3 Hoe dat mechanisme werkt en later doorwerkte in de keten, staat in De boer en de supermarkt. Volgens Poppe en zijn medeauteurs was schaalvergroting dus geen kwestie van hebzucht of onwil, maar een onvermijdelijk gevolg van de sterk gestegen arbeidskosten.8 Wie bleef met een laag inkomen, hield het vaak vol tot zijn pensioen. Zijn kinderen namen het bedrijf dan niet over.3
Het aantal boerenbedrijven daalde sterk: tussen 1950 en 2014 verdwenen er gemiddeld vijftien per dag.9 Vanaf 1963 hielp het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw, het O&S-fonds.10 Boeren die stopten, konden een vergoeding krijgen, zodat hun land naar andere bedrijven kon gaan. Boeren die hun bedrijf wilden verbeteren, konden steun krijgen. In het begin ging het vooral om stoppen.11
De grote uittocht
De eersten die vertrokken waren de landarbeiders. Hun werk werd door machines overgenomen. Daarna moesten ook boerenzonen weg, als het ouderlijke bedrijf geen groot gezin meer kon onderhouden. Na het midden van de jaren zestig verdwenen ten slotte de kleine boeren snel.1 Ze vonden werk in fabrieken, in de bouw of in kantoren in de stad. Eind jaren negentig werkte nog maar zo'n 200.000 mensen in de landbouw, minder dan 3 procent van de beroepsbevolking.1
Anderen gingen verder weg. Na de oorlog vertrokken honderdduizenden Nederlanders naar Canada, de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland, onder wie veel boerenzonen en boerengezinnen. De overheid moedigde die emigratie actief aan. Ze vreesde voor te weinig werk en een tekort aan landbouwgrond.12 Rond 2000 vertrokken boeren die zich door de regels beknot voelden juist naar Denemarken, de voormalige DDR of Polen.13
Een ander platteland
Het platteland veranderde. Dorpen die vroeger draaiden om de landbouw, kregen nieuwe bewoners die in de stad werkten. Smeden werden garagehouders of verdwenen. De boer werd ondernemer, met machines, leningen en een boekhouding. Hij kreeg zijn kennis over nieuwe technieken vooral via de landbouwvoorlichting, die sterk op groei en productie stuurde. Zie Wageningen en de voorlichting.
Tegelijk werd de boer steeds minder zichtbaar. Waar vroeger het halve dorp op het land werkte, was dat nu nog maar een klein deel. Die afstand tussen boer en burger is sindsdien alleen maar gegroeid.
Het kleine-boerenvraagstuk
Rond 1950 werkten er in de landbouw zo'n 750.000 mensen.1 Op de zandgronden in het oosten en zuiden was een bedrijf gemiddeld maar half zo groot als op de zeeklei.2 Dat was het resultaat van een lange ontwikkeling. Tot ongeveer 1930 maakten ontginning en stijgende inkomens het mogelijk dat het aantal bedrijven op het zand groeide, en schoot de traditie wortel dat iedere boerenzoon zelf boer werd, vaak door het ouderlijk bedrijf te splitsen. In de crisis van de jaren dertig bleek hoe wankel veel kleine bedrijven waren.2 Zie De heide-ontginning.
Landbouweconoom Krijn Poppe ziet hierin een terugkerend patroon: juist in goede tijden ontstaan de kwetsbaarheden voor de volgende crisis. Het succes van de ontginning met kunstmest maakte veel nieuwe kleine bedrijven mogelijk, en daarmee een kleine-boerenvraagstuk dat in het interbellum zichtbaar werd en na 1945 om sanering vroeg.3
Na de oorlog bracht het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) het probleem in kaart, met een bekende studie uit 1951. De kern was het grote verschil in arbeidsproductiviteit tussen kleine en grote bedrijven. Op kleine bedrijven heerste verborgen werkloosheid: gezinsleden werkten mee, maar er was niet genoeg werk voor hen.2 Volgens Poppe stelde de studie onomwonden dat een groot deel van de agrarische jeugd op het zand moest vertrekken. Ze was ook sceptisch over het idee om kleine bedrijven met gekocht veevoer om te vormen tot varkens- en kippenbedrijven, juist de weg die veel van hen later insloegen.3 Het LEI zag industrialisatie op het platteland als sleutel tot een oplossing: in industriegemeenten vonden boerenzonen het vaakst ander werk.2
Arbeid wordt duur
Na de oorlog werkten de meeste boeren nog met paarden. De bedrijven waren klein en een trekker was duur, dus voor veel boeren was een machine niet de moeite waard.4 Dat veranderde snel, en volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman zat de motor in de prijzen. De economie groeide, en de lonen stegen mee, ook in de landbouw. Maar melk en tarwe werden nauwelijks duurder. Eind jaren tachtig was arbeid ten opzichte van 1950 meer dan vijfentwintig keer zo duur geworden, tarwe nog geen drie keer.7 Een boer moest dus steeds meer produceren per arbeidskracht om zijn inkomen bij te houden.
Voor de oorlog draaide vernieuwing om het sparen van grond, met kunstmest en krachtvoer. Na 1950 ging het om het sparen van arbeid: arbeid moest plaatsmaken voor kapitaal, en beleid en onderzoek mikten op een hogere arbeidsproductiviteit, de productie per werkende.7,4
Van paard naar trekker
Met geld uit de Marshallhulp (zie Oorlog en wederopbouw) en dankzij betere inkomens kwamen er steeds meer trekkers. Tussen 1950 en 1970 groeide hun aantal van 18.000 tot 135.000, terwijl het aantal paarden met ruim driekwart daalde.4 De akkerbouwers op de zeeklei gingen voorop; op het zand volgde de trekker later.14
Een bekend model was de kleine, grijze Ferguson TE20, de 'Little Grey Fergie'. De grote vernieuwing was de hydraulische driepuntshefinrichting. Daarmee kon de boer een ploeg of ander werktuig vanaf zijn zitplaats optillen en laten zakken. Dat systeem werd wereldwijd de standaard.5
Er kwamen ook melkmachines, maaidorsers en kunstmeststrooiers.4 Hoe snel het ging, blijkt uit een voorspelling van 1937: een vooraanstaand voorlichter dacht toen dat er in heel Nederland plaats was voor hooguit drie maaidorsers. In 1960 waren het er al zesduizend. Een hectare graan vroeg in 1975 nog maar een tiende van het werk van 1950.6 Waar het paard verdween, kwam bovendien land vrij dat eerder haver en hooi voor de paarden leverde.
Het zou te simpel zijn om boeren alleen te zien als mensen die techniek kregen aangereikt. Bieleman benadrukt dat veel vernieuwingen van onderop kwamen, zoals de voordroogkuil, snijmaïs en de cyclomaaier. Voorlichters pikten zulke ideeën op en verspreidden ze.15
Groeien of wijken
Machines kostten geld. Om ze terug te verdienen, moest een bedrijf groter worden. 'Groeien of wijken' werd het motto van die jaren. De overheid stimuleerde schaalvergroting met voorlichting, kredieten en Ruilverkaveling.
Landbouweconomen beschrijven dit als een tredmolen. Wie als eerste arbeid bespaart, produceert goedkoper en kan uitbreiden. Doordat iedereen volgt, zakt de marktprijs naar de kostprijs van de efficiëntste producenten, en houden de achterblijvers een laag inkomen over. Volgens Poppe investeren zij vaak niet meer en houden ze het vol tot hun pensioen; hun kinderen nemen het bedrijf niet over.3 Hoe het mechanisme werkt en later doorwerkte in de keten van boer tot supermarkt, staat in De boer en de supermarkt.
In deze verklaring is schaalvergroting geen kwestie van hebzucht of onwil, maar een aanpassing aan prijsverhoudingen waaraan geen enkele boer zich kon onttrekken. Poppe en zijn medeauteurs noemen haar een onvermijdelijk gevolg van de sterk gestegen arbeidskosten.8 Poppe wijst er ook op dat het kleine-boerenvraagstuk daardoor nooit echt is opgelost: arbeidsbesparende techniek ontwikkelt zich sneller dan arbeid de sector verlaat.3
Het aantal boerenbedrijven daalde sterk: tussen 1950 en 2014 verdwenen er gemiddeld vijftien per dag, en die daling gaat tot vandaag door.9 Vanaf 1963 moest het Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw, het O&S-fonds, de nood op kleine gemengde bedrijven verlichten.10 Het gaf boeren die stopten een vergoeding, zodat hun grond naar bedrijven kon gaan die moesten groeien, en steunde boeren die hun bedrijf wilden verbeteren. In het begin ging het vooral om stoppen; later verschoof het accent naar modernisering.11
De grote uittocht
De eersten die vertrokken waren de landarbeiders. Daarna moesten ook boerenzonen weg, als het ouderlijke bedrijf geen groot gezin meer kon onderhouden. Na het midden van de jaren zestig verdwenen ten slotte de kleine boeren snel.1 Ze vonden werk in fabrieken, in de bouw of in kantoren in de stad. Het aandeel van de landbouw in de beroepsbevolking zakte van 19 procent in 1950 naar minder dan 3 procent eind jaren negentig. Voor het eerst in de geschiedenis ging een sterke intensivering samen met een snelle daling van het aantal werkenden.1
Anderen gingen verder weg. Na de oorlog vertrokken honderdduizenden Nederlanders naar Canada, de Verenigde Staten, Australië en Nieuw-Zeeland, onder wie veel boerenzonen en boerengezinnen. De overheid moedigde die emigratie actief aan, met voorlichting en vaak met subsidie voor de overtocht. Ze vreesde voor te weinig werk en een tekort aan landbouwgrond.12 Rond 2000 vertrokken boeren die zich door de regels beknot voelden juist naar Denemarken, de voormalige DDR of Polen.13
Het platteland veranderde mee. Dorpen kregen nieuwe bewoners die in de stad werkten, en smeden werden garagehouders of verdwenen. De boer werd ondernemer, met machines, leningen en een boekhouding. Zijn kennis over nieuwe technieken kreeg hij vooral via de landbouwvoorlichting, die sterk op groei en productie stuurde. Zie Wageningen en de voorlichting. Tegelijk werd de boer steeds minder zichtbaar, en de afstand tussen boer en burger is sindsdien alleen maar gegroeid.
- Het aantal boerenbedrijven daalt sinds de jaren vijftig vrijwel onafgebroken.9 Het principe van 'groeien of wijken' leeft nog steeds.
- Hogere investeringen maakten boeren afhankelijker van banken en van krediet. Zie Coöperaties en boerenleenbanken.
- Schaalvergroting was ook het doel van het Europese beleid. Zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Met minder boeren groeide de afstand tussen boer en burger, een thema in de Polarisatie en de stikstofimpasse.
- In Canada, Australië en Nieuw-Zeeland wonen nog altijd veel nakomelingen van Nederlandse emigranten.
- De driepuntshefinrichting van Ferguson is nog steeds de standaard op trekkers wereldwijd.5
Vier perspectieven
De boer
De trekker maakte zwaar werk lichter en gaf boeren meer mogelijkheden. Maar hij bracht ook schulden en de druk om te groeien. Met een trekker kon een boer meer land bewerken, maar dan moest hij dat land ook hebben om de machine terug te verdienen. Wie de stap niet kon of wilde zetten, moest vaak stoppen.
De landarbeider
Voor landarbeiders was de mechanisatie het einde van hun werk op het land. Velen vonden een baan in de groeiende industrie, vaak met een beter loon en vaste uren. Het afscheid van het boerenleven was soms een opluchting, soms een verlies. Voor wie bleef, veranderde het werk: niet langer met de hand en het paard, maar met het besturen en onderhouden van machines.
De boerenfamilie
Lang niet alle kinderen konden het bedrijf overnemen. Meestal ging de boerderij naar één kind. Broers en zussen trokken weg, soms naar de andere kant van de wereld. Families raakten verspreid, en bleven elkaar vaak alleen per brief zien. In Canada en Australië zochten ze vaak steun bij andere Nederlandse emigranten, in een land waar ze de taal nog moesten leren.
De overheid
De overheid zag mechanisatie en schaalvergroting als de weg naar een moderne landbouw en een hoger inkomen voor boeren. Ze stimuleerde groei, maar hielp ook kleine boeren om te stoppen. De industrie had juist arbeiders nodig. Emigratie zag ze als een oplossing voor een land dat te vol dreigde te raken.
De boer
De trekker maakte zwaar werk lichter en gaf boeren meer mogelijkheden. Maar hij bracht ook schulden en de druk om te groeien. Met een trekker kon een boer meer land bewerken, maar dan moest hij dat land ook hebben om de machine terug te verdienen. Wie de stap niet kon of wilde zetten, moest vaak stoppen. Stoppen voelde voor velen als falen, ook al was het een gevolg van prijzen en lonen waar de boer zelf geen invloed op had.
De landarbeider
Voor landarbeiders was de mechanisatie het einde van hun werk op het land. Velen vonden een baan in de groeiende industrie, vaak met een beter loon en vaste uren. Het afscheid van het boerenleven was soms een opluchting, soms een verlies. Voor wie bleef, veranderde het werk: niet langer met de hand en het paard, maar met het besturen en onderhouden van machines. De kennis van paarden en handwerk raakte in een generatie verloren.
De boerenfamilie
Lang niet alle kinderen konden het bedrijf overnemen. Meestal ging de boerderij naar één kind. Broers en zussen trokken weg, soms naar de andere kant van de wereld. Families raakten verspreid, en bleven elkaar vaak alleen per brief zien. In Canada en Australië zochten ze vaak steun bij andere Nederlandse emigranten, in een land waar ze de taal nog moesten leren.
De overheid
De overheid zag mechanisatie en schaalvergroting als de weg naar een moderne landbouw en een hoger inkomen voor boeren. Ze stimuleerde groei, maar hielp ook kleine boeren om te stoppen. De industrie had juist arbeiders nodig, dus de uittocht uit de landbouw paste in het bredere economische beleid. Emigratie zag ze als een oplossing voor een land dat te vol dreigde te raken.
- Gemeten in paardenkracht hadden de trekkers de paarden al in 1959 ingehaald. In aantallen gebeurde dat pas in 1965.4
- Met omgebouwde Ferguson TE20's bereikte de expeditie van Edmund Hillary in 1958 de Zuidpool. Het waren de eerste voertuigen die daar over land kwamen.5
- Van 1992 tot 2015 stond een Ferguson-trekker op het Nieuw-Zeelandse biljet van vijf dollar.5
- De driepuntshefinrichting die de Ferguson beroemd maakte, werd verkocht als het 'Ferguson System'.5
Machines maakten het boerenwerk lichter, maar kostten veel banen op het land. Wat betekent het voor een samenleving als steeds minder mensen voedsel produceren?
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 251. ↩
- Landbouw-Economisch Instituut, Afdeling Streekonderzoek, Rapporten ten behoeve van de Commissie van Advies inzake de uitgifte van domeingronden, rapport 235 (oktober 1955), hoofdstukken I, III en V, link. ↩
- K. Poppe, 'Het voedselsysteem – 1850 tot heden', in D. Veerman en E. Gravesteijn (red.), Daarom zijn boeren boos (Prometheus, 2025), h. 8. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 241. ↩
- Wikipedia (en), 'Ferguson TE20' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 259. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 240 en 316. ↩
- K. Poppe, D. Veerman en W. van der Weijden, 'Uit de duivelse crisis?', in D. Veerman en E. Gravesteijn (red.), Daarom zijn boeren boos (Prometheus, 2025), h. 10. ↩
- CBS, 'Afname aantal boerenbedrijven zet door' (2014), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 244–245. ↩
- Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw, (1962) 1963–1989, toegang 2.11.104 (2021), inleiding, link. ↩
- MAX Magazine, 'Nederland emigratieland' (21 februari 2018), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 253. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 255.
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 247.
Verder lezen
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).
- J.W. Schot e.a. (red.), Techniek in Nederland in de twintigste eeuw, deel 3: Landbouw, voeding (2000).