Landbouwcanon

In dit schilderij

  • Kolonisten graven een nieuwe sloot op de grens van het ontgonnen land.
  • Opstrekkende kavels met sloten, zoals de cope ze uitzette.
  • Een langhuis aan de kop van de kavel: wonen en vee onder één dak.
  • Kerk en burcht: het gezag van graaf en bisschop.
  • Het wilde veen dat nog moet worden ontgonnen.
Venster 5ca. 1000 – 1300Ontginning en stadconcept

De grote veenontginningen

Van moeras tot Holland

Rond het jaar 1000 was het westen van Nederland een nat, bijna onbewoond veenmoeras. In drie eeuwen tijd groeven kolonisten het droog en maakten er akkers van. Daarmee legden ze de basis voor Holland, maar ze zetten ook iets in gang dat nog altijd doorgaat: de bodem zakt.

Rond het jaar 1000 was het westen van Nederland een nat, vrijwel onbewoond veenmoeras. In ruim drie eeuwen groeven kolonisten het systematisch droog en maakten er akkers en weiden van. Daarmee legden ze de basis voor Holland en voor een opvallend vrije boerenstand. Tegelijk zetten ze een proces in gang dat nog altijd doorgaat: de bodem zakt.

Een land van veen

Wie rond het jaar 1000 vanaf de duinen landinwaarts liep, kwam in een uitgestrekte veenwildernis. Het veen was in het midden tot vijf meter dik.1 Het was drassig en lag op veel plekken zelfs hoger dan de rivieren eromheen. Het groeide vooral uit veenmos, dat alleen regenwater krijgt. Zo'n veen is zuur en arm aan voedingsstoffen. Mensen woonden op de hogere randen: de strandwallen achter de duinen en de oeverwallen langs de rivieren. Het veen zelf was vrijwel onbewoond.

Waarom juist toen?

Rond 800 begonnen de eerste mensen de randen van het veen te ontwateren. Ze groeven sloten en verbreedden natuurlijke stroompjes, waardoor het grondwater een halve tot een hele meter zakte. Rond het jaar 1000 kwam de ontginning echt op gang. Tussen 1100 en 1350 groeide de bevolking in heel Europa sterk, en overal werd nieuw land in gebruik genomen.2 Er was vraag naar graan, en de invallen van de Vikingen waren voorbij. Ook kwamen er betere werktuigen, zoals de ijzeren ploeg, en werd het paard vaker ingezet. Historici spreken van de Grote Ontginning. Tussen 1000 en 1350 werd zo vrijwel het hele Hollands-Utrechtse veen in gebruik genomen.1

Een strook per kolonist

De graaf van Holland en de bisschop van Utrecht beschouwden die woeste grond als hun bezit. Ze gaven het gebied in grote blokken uit aan groepen kolonisten. Zo'n overeenkomst heette een cope. Het woord leeft voort in plaatsnamen als Boskoop en Nieuwkoop.3 De ontginners kregen het recht om vanaf een rivier of wetering een strook veen in te gaan. Zo'n strook was vaak 30 roeden breed, zo'n 110 tot 115 meter, en 1.250 tot 1.300 meter lang, soms het dubbele. Zo kreeg elke kolonist een bedrijf van ongeveer 10 tot 15 of 21 tot 30 hectare: opvallend gelijk verdeeld.1 Grond had een prijs: in 1233 verkocht graaf Floris IV woest veen langs de Gouwe, bij Waddinxveen, voor 200 Hollandse ponden.4

Langs en in de stroken groeven ze sloten. Ze brandden de begroeiing af, en het water liep weg. Eerst diende het land een paar jaar als weide, daarna werd het droog genoeg voor rogge, haver en gerst. De boerderijen kwamen aan de kop van elke strook, langs de wetering. Zo ontstonden lange lintdorpen, die je nu nog herkent. Al dat werk gebeurde met niet meer dan spades en kruiwagens.

Het patroon van lange, smalle kavels dat de kolonisten uitzetten, is in het Groene Hart vanuit de lucht nog altijd te zien.Een landschap van duizend jaar oud

Vrije boeren

De kolonisten waren voor middeleeuwse begrippen opvallend vrij. Ze kochten de grond en werden eigenaar. Aan de landsheer betaalden ze alleen een kleine erkenningscijns en de tiende. Horigen waren ze niet. Ze regelden veel zelf, ook het beheer van het water. Daaruit groeiden later de waterschappen. Historici zien in deze vrije boerengemeenschappen, met zwakke rechten van heren en sterke heemraadschappen, een 'middeleeuwse erfenis'. Die verklaart volgens hen mede waarom de landbouw in Holland na 1500 zo sterk op de markt kon inspelen.5

Ondertussen breidde Holland zijn gebied uit, vaak ten koste van Utrecht. Amstelland kwam in 1279 aan Holland, en West-Friesland werd in 1297 onderworpen.

Het land zakt

Maar drooggelegd veen klinkt in en verteert. Zodra er lucht bij komt, breekt het langzaam af. Binnen enkele eeuwen lag het land zo laag dat akkerbouw steeds moeilijker werd. In de late middeleeuwen werd het op veel plekken te nat voor wintergraan als tarwe en rogge. Zomergraan, zoals gerst en haver, bleef nog een tijd belangrijk, onder meer voor de brouwerijen in de steden.6 Boeren bouwden dijken en sluizen, en vanaf de vijftiende eeuw windmolens om het water weg te malen. Boeren schakelden over op vee en zuivel, en steeds meer graan kwam uit het Oostzeegebied.5 Zie De Hanze en de Oostzeehandel. Wie geen werk meer had op het land, trok naar de stad, de visserij of de handel.

Steden hadden brandstof nodig, en vanaf de veertiende eeuw werd er op grote schaal turf gestoken. Waar onder water werd gegraven, ontstonden plassen, die door afslag bij storm soms uitgroeiden tot grote meren, zoals de Haarlemmermeer. Zie Droogmakerijen.

Het zakken is nooit gestopt. Sinds de ontginning is het land meer dan twee meter gedaald. In het oosten van West-Friesland lag het maaiveld rond 1350 zelfs ruim 3,5 meter hoger dan nu.1 Op veel plaatsen ligt het land nu onder zeeniveau, en het daalt nog steeds: gemiddeld zo'n 8 millimeter per jaar in het landelijke veenweidegebied, in het Groene Hart ongeveer een centimeter.7

Een land van veen

Wie rond het jaar 1000 vanaf de duinen landinwaarts liep, kwam in een uitgestrekte veenwildernis. Het veen was in het midden tot vijf meter dik.1 Het was drassig en lag op veel plaatsen zelfs hoger dan de rivieren eromheen. Het was vooral opgebouwd uit veenmos, dat alleen regenwater krijgt; zo'n veen is zuur en arm aan voedingsstoffen. Mensen woonden op de hogere randen: de strandwallen achter de duinen en de oeverwallen langs de rivieren. Het veen zelf was vrijwel onbewoond.

Waarom juist toen?

Rond 800 begonnen de eerste bewoners de randen van het veen te ontwateren. Ze groeven sloten en verbreedden natuurlijke stroompjes, waardoor het grondwater een halve tot een hele meter zakte. Rond het jaar 1000 kwam de ontginning echt op gang. Tussen 1100 en 1350 groeide de bevolking in heel Europa sterk, en overal werd nieuw land in gebruik genomen.2 Er was vraag naar graan, en de invallen van de Vikingen waren voorbij. Ook kwamen er betere werktuigen, zoals de ijzeren ploeg, en werd het paard vaker ingezet. Historici spreken van de Grote Ontginning. Tussen 1000 en 1350 werd vrijwel het hele Hollands-Utrechtse veen in gebruik genomen.1

Volgens Slicher van Bath lagen de oudste ontginningen in Holland rond Leimuiden, Rijnsaterwoude en Kudelstaart, vanaf de late tiende of vroege elfde eeuw. In Utrecht was vrijwel al het veen vóór 1200 uitgegeven; in Holland volgde in de dertiende eeuw nog een grote golf rond de Gouwe. In de veertiende eeuw kwam de ontginning tot stilstand.12 De historicus Jan de Vries benadrukt hoe uitzonderlijk dit was: alleen in de Duitse oostkolonisatie werd zo systematisch en op zo'n schaal ontgonnen. Veertiende-eeuws Holland was in feite 'een nieuw land'.13

Een strook per kolonist

De graaf van Holland en de bisschop van Utrecht beschouwden de woeste grond als hun bezit. Ze gaven het gebied in grote blokken uit aan groepen kolonisten. Zo'n overeenkomst heette een cope; het woord leeft voort in plaatsnamen als Boskoop en Nieuwkoop.3 De ontginners kregen het recht om vanaf een rivier of wetering een strook veen in te gaan. Zo'n strook was vaak 30 roeden breed, zo'n 110 tot 115 meter, en 1.250 tot 1.300 meter lang, soms het dubbele. Zo kreeg elke kolonist een bedrijf van ongeveer 10 tot 15 of 21 tot 30 hectare: een opvallend gelijke verdeling.1 Grond had een prijs: in 1233 verkocht graaf Floris IV woest veen langs de Gouwe, bij Waddinxveen, voor 200 Hollandse ponden.4

Langs en in de stroken groeven de kolonisten sloten. Ze brandden de begroeiing af, en het water liep weg. Eerst diende het land een paar jaar als weide; daarna werd het droog genoeg voor rogge, haver en gerst. De boerderijen kwamen aan de kop van elke strook, langs de wetering. Zo ontstonden lange lintdorpen, die nog altijd herkenbaar zijn. Al dat werk gebeurde met niet meer dan spades en kruiwagens.

Vrije boeren, zakelijke heren

De kolonisten waren voor middeleeuwse begrippen opvallend vrij. Ze werden eigenaar van hun grond. Aan de landsheer betaalden ze alleen een kleine erkenningscijns en de tiende. Horigen waren ze niet, en ze regelden veel zelf, ook het waterbeheer. Daaruit groeiden later de waterschappen.5

Over de precieze juridische vorm verschillen de accenten. Slicher van Bath schrijft dat de graaf het land aanvankelijk uitgaf tegen een zeer lage jaarlijkse cijns, en dat dit systeem na 1200 veranderde.12 De Vries legt de nadruk op verkoop: de graven verkochten grote stukken aan edelen, groepen kolonisten of tussenpersonen, vaak samen met het tiendrecht. Bij een ontginning van het Utrechtse kapittel van Sint-Jan (1085) betaalde elke kolonist een tiend van 1 penning per hoeve; dat bedrag was een erkenning van gezag en legde hem verder geen beperkingen op. De heerlijkheden die zo ontstonden, waren volgens De Vries zakelijk van aard, zonder burchten of landgoederen van edelen.13 Beide historici komen uit bij hetzelfde beeld: vrije boeren met een stevige greep op hun eigen grond.

Historici zien in deze vrije boerengemeenschappen, met zwakke rechten van heren en sterke heemraadschappen, een 'middeleeuwse erfenis'. Die verklaart volgens hen mede waarom de landbouw in Holland na 1500 zo sterk op de markt kon inspelen.5 Ondertussen breidde Holland zijn gebied uit, vaak ten koste van Utrecht. Amstelland kwam in 1279 aan Holland, en West-Friesland werd in 1297 onderworpen.

Het land zakt

Maar drooggelegd veen klinkt in en verteert. Zodra er lucht bij komt, breekt het langzaam af. Volgens Slicher van Bath werd dat versneld door het grote dijkstelsel van de dertiende eeuw, dat de waterstand verder verlaagde. Begin veertiende eeuw verbouwde men bij Leiden nog rogge en gerst.12 Binnen enkele eeuwen lag het land echter zo laag dat akkerbouw steeds moeilijker werd. In de late middeleeuwen werd het op veel plaatsen te nat voor wintergraan. Zomergraan, zoals gerst en haver, bleef nog een tijd belangrijk, onder meer voor de brouwerijen in de steden.6 Boeren bouwden dijken en sluizen, en vanaf de vijftiende eeuw windmolens om het water weg te malen. Ze schakelden over op vee en zuivel, en steeds meer graan kwam uit het Oostzeegebied.5 Zie De Hanze en de Oostzeehandel. Wie geen werk meer had op het land, trok naar de stad, de visserij of de handel.

Rond 1500 was de ontginning bovendien niet overal af, en lang niet alle grond was goed bruikbaar. In Rijnland werd in 1514 veel land als verlaten opgegeven: steeds overstroomd, drassig of uitgeveend. In Nieuwveen waren alle boeren eigenaar, 'omdat niemand van buiten het wilde hebben'. Ten oosten van de Vecht werd in de jaren 1490 nog veen ontgonnen.14

Turf en meren

Steden hadden brandstof nodig, en vanaf de veertiende eeuw werd er op grote schaal turf gestoken. Rond 1530 kwam het baggeren van turf onder water op, waardoor de ontstane plassen nog sneller groter werden. Begin zestiende eeuw was het Noorderkwartier, het deel van Holland boven het IJ, een waterrijk schiereiland geworden, bijna een archipel.1 Door afslag bij storm groeiden plassen soms uit tot grote meren, zoals de Haarlemmermeer. Zie Droogmakerijen.

Het zakken is nooit gestopt. Sinds de ontginning is het land meer dan twee meter gedaald. In het oosten van West-Friesland lag het maaiveld rond 1350 zelfs ruim 3,5 meter hoger dan nu.1 Op veel plaatsen ligt het land nu onder zeeniveau, en het daalt nog steeds: gemiddeld zo'n 8 millimeter per jaar in het landelijke veenweidegebied, in het Groene Hart ongeveer een centimeter.7

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De ontginner

Voor de kolonisten betekende ontginnen een eigen bestaan en meer vrijheid dan elders in Europa. Land maken was zwaar werk, met de spade en zonder machines. Ze wisten niet dat het veen zou gaan zakken; dat werd pas na generaties zichtbaar. Vanuit dit perspectief is het veenweidelandschap een prestatie van generaties boeren, die er nog altijd hun brood mee verdienen.

Het landschap

Het oorspronkelijke hoogveen, met zijn eigen planten en dieren, is vrijwel volledig verdwenen. Wat ervoor in de plaats kwam, het open weidelandschap met weidevogels, wordt nu juist als waardevol landschap gezien. Ook dat is een cultuurlandschap: grutto's en kieviten zijn afhankelijk van grasland dat boeren beheren, met een passend waterpeil en een late maaidatum. Wat geldt dan als natuurlijk? Zie Natuur is mensenwerk.

De landsheer

Voor graaf en bisschop was ontginning een manier om gezag en inkomsten uit te breiden. Het uitgangspunt was dat onontgonnen woeste grond aan de vorst toebehoorde. De landsheer hield ook de rechtspraak en de tiende in handen. De overheid stond dus vanaf het begin aan de basis van dit landschap.

De burger van nu

Wie nu in het Groene Hart woont of er fietst, geniet van het open landschap als een gedeeld bezit. Tegelijk draagt iedereen mee aan de kosten van bodemdaling: verzakte funderingen, wegen en steeds duurder waterbeheer. Een hoger waterpeil kan het zakken remmen, maar raakt ook de boeren die het landschap beheren. Wie welke kosten draagt, is een open vraag.

De ontginner

Voor de kolonisten betekende ontginnen een eigen bedrijf en meer vrijheid dan elders in Europa. Land maken was zwaar werk, met de spade en zonder machines. Ze konden niet weten dat het veen zou gaan zakken; dat werd pas na generaties zichtbaar. Vanuit dit perspectief is het veenweidelandschap een prestatie van generaties boeren, die er nog altijd hun brood mee verdienen en het landschap in stand houden.

Het landschap

Het oorspronkelijke hoogveen, met zijn eigen planten en dieren, is vrijwel volledig verdwenen. Wat ervoor in de plaats kwam, het open weidelandschap met weidevogels, geldt nu juist als waardevol. Ook dat is een cultuurlandschap: grutto's en kieviten zijn afhankelijk van grasland dat boeren beheren, met een passend waterpeil en een late maaidatum. Wat geldt dan als natuurlijk, en welk landschap wil men behouden? Zie Natuur is mensenwerk.

De landsheer

Voor graaf en bisschop was ontginning een manier om gezag en inkomsten uit te breiden. Het uitgangspunt was dat onontgonnen woeste grond aan de vorst toebehoorde. De landsheer hield ook de rechtspraak en de tiende in handen. Tegelijk koos hij voor een zakelijke verhouding met de kolonisten, niet voor horigheid. De overheid stond dus vanaf het begin aan de basis van dit landschap.

De burger van nu

Wie nu in het Groene Hart woont of er fietst, geniet van het open landschap als gedeeld bezit. Tegelijk draagt iedereen bij aan de kosten van bodemdaling: verzakte funderingen, wegen en steeds duurder waterbeheer. Een hoger waterpeil kan het zakken remmen, maar raakt ook de boeren die het landschap beheren. Hoe die lasten eerlijk worden verdeeld, is een open vraag.

Trivia
Om over te praten

De ontginners maakten land dat er nu nog steeds is, maar zetten ook bodemdaling in gang. Was dat vooruitgang?

Bronnen
  1. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 41–42. ↩
  2. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 22. ↩
  3. Wikipedia, 'Cope (perceel)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
  4. Wikipedia, 'Waddinxveen' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  5. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 44. ↩
  6. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 49. ↩
  7. Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Stop bodemdaling in veenweidegebieden. Het Groene Hart als voorbeeld (2020), link. ↩
  8. Wikipedia, 'Veenmos' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  9. M.W.E. van Mulken e.a., 'Op weg naar een duurzame visie voor het Groene Hart', Landschap 40 (2023) 3, p. 119–125, link. ↩
  10. Wikipedia, 'Poldermolen' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  11. Wikipedia (Duits), 'Hollerkolonisation' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  12. B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 152–153.
  13. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 26–28.
  14. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 30.

Verder lezen