In dit schilderij
- Formulieren met stempels: de administratie van de crisisorganisaties.
- Het varkensoormerk: de grens aan het aantal dieren.
- Het pakje steunboter: overschotten voor wie weinig had.
- De olielamp: een arm platteland in de jaren dertig.
- Het varken in de deuropening: de stal als werkterrein van de staat.
De Landbouwcrisiswet
In de jaren dertig stortten de landbouwprijzen opnieuw in. Dit keer koos Nederland niet voor de vrije markt, maar voor ingrijpen. De Landbouwcrisiswet van 1933 gaf de regering de macht om prijzen, productie en handel te regelen. Voor het eerst bemoeide de staat zich tot in de varkensstal met het werk van de boer.
In de jaren dertig stortten de landbouwprijzen opnieuw in. Anders dan in de crisis van rond 1880 koos Nederland nu niet voor de vrije markt, maar voor ingrijpen. De Landbouwcrisiswet van 1933 gaf de regering vergaande macht om prijzen, productie en handel te regelen. Voor het eerst bemoeide de staat zich tot in de varkensstal met het werk van de boer. Historici zien die wetgeving als een waterscheiding in de verhouding tussen boer en overheid.
Een nieuwe crisis
Na de beurskrach van 1929 raakte de wereldeconomie in een diepe crisis. Landen sloten hun grenzen voor buitenlandse producten. Voor Nederland, dat veel boter, kaas, eieren en vlees exporteerde, was dat een harde klap. Toen Nederland zijn overtollige boter in België dumpte, antwoordde dat land met invoerquota.1 In het najaar van 1931 lieten Groot-Brittannië en Denemarken, de grote concurrent op de Britse markt, de gouden standaard los. Hun munten werden goedkoper, maar de gulden bleef duur. Nederlandse producten waren in het buitenland daardoor nog moeilijker te verkopen.2 De prijzen zakten zo diep dat veel boeren met verlies werkten. In Zuid-Holland werd melk op de veiling begin jaren dertig soms voor maar twee à drie cent per liter verkocht.3
In de crisis van rond 1880 had de regering de markt grotendeels zijn werk laten doen (zie De landbouwcrisis). Nu was de nood te groot. Veel politici waren ervan overtuigd dat de landbouw zonder bescherming ten onder zou gaan. In april 1930 begon een Landbouwcrisiscommissie met haar werk.4 Daarna kwamen er losse steunwetten: de Tarwewet van 1931, en in 1932 de Crisis-Zuivelwet en de Crisis-Varkenswet.5 Ook kwam er een Crisispachtwet, die pachters uitstel van betaling kon geven.6 Op 5 mei 1933 volgde één overkoepelende wet: de Landbouw-Crisiswet 1933, gepubliceerd in het Staatsblad van 1933 als nummer 261.7,5 Bij een wetswijziging in 1934 gingen de eerdere wetten daarin op.5 Daarom noemen sommige historici 1934 als het jaar van de wet.8
Brede bevoegdheden
De wet gaf de regering bijna onbeperkte macht om in te grijpen in productie, prijzen, invoer en uitvoer. Het geld kwam uit een Landbouwcrisisfonds. Dat werd gevuld met heffingen op producten in het binnenland en op invoer. De invoerheffing zorgde dat buitenlandse producten niet goedkoper waren dan Nederlandse. Met het geld uit het fonds kregen boeren steun en een betere prijs.7 Het ging om veel geld. Tussen 1933 en 1936 gaf de staat bijna 200 miljoen gulden per jaar uit aan de crisismaatregelen. De hele rijksbegroting was toen ongeveer 800 miljoen gulden.8
De wet kwam tot stand onder minister Verschuur van Economische Zaken, waar landbouw toen onder viel.9 Pas in 1935 kreeg Nederland een apart ministerie van Landbouw.10
Voor de uitvoering kwamen er crisisorganisaties per sector, zoals de Crisis-Zuivelcentrale uit 1932, de Varkenscentrale en later een centrale voor rundvee.11,12 Daarin werkten boeren, handel en industrie samen onder toezicht van de overheid. Aan het hoofd stonden regeringscommissarissen.5 Zo ontstond een nieuw model: de sector regelde veel zelf, maar binnen de lijnen van de staat.
Merken, schetsen en controleurs
Steun had een prijs: regels. Om de overschotten te beperken, werd de aanfok van dieren begrensd. Varkenshouders moesten lid worden van de Varkenscentrale en kregen een beperkt aantal biggenmerken. Wie bij controle meer dieren bleek te hebben, overtrad de wet.12 Een klein gemengd bedrijf in Raalte met vier koeien kreeg in 1936–37 bijvoorbeeld veertien biggenmerken.13 In 1934 kwam er ook een teeltregeling voor rundvee. In heel Nederland mochten per jaar niet meer dan 350.000 vaarskalveren en 60.000 stierkalveren worden opgefokt. Elke veehouder kreeg een beperkt aantal 'kalverschetsen'.14
Niet elke maatregel werkte zoals bedoeld. Om de melkproductie te remmen, moesten 160.000 drachtige vaarzen worden geslacht. Veel boeren hielden daarop hun oudere koeien langer aan, en de melkstroom groeide juist.14 Ook ontstond er een zwart circuit. Het aantal boeren dat zelf boter karnde, steeg van ongeveer 18.000 naar 40.000. Op die boter zat geen heffing. De regering antwoordde met een karnverbod.15 Minder varkens betekende ook minder afzet voor ondermelk, het restproduct van de boterfabriek. In Drenthe werd ondermelk soms gewoon in de sloot gegooid.16
Er kwamen crisiscontroleurs die op de boerderij kwamen kijken. Veel boeren voelden dat als een inbreuk op hun vrijheid, en de controle zette veel kwaad bloed.14 Anderen waren blij met de zekerheid. Margarine moest een tijdlang verplicht een deel boter bevatten, het zogeheten menggebod. Zo werd er meer boter afgezet.17 Voor het minst draagkrachtige deel van de bevolking kwam er goedkope, ongemengde margarine.18
Een blijvend apparaat
Toen de vooruitzichten in 1937 verbeterden, werd het menggebod op 28 september van dat jaar opgeheven. Ook het karnverbod verdween.19 Maar het apparaat bleef. Toen de oorlog uitbrak, kon de overheid de opgebouwde kennis en administratie gebruiken voor de distributie van voedsel. Een van de oprichters van het Landbouwcrisisbureau in 1933 was ir. S.L. Louwes.5 Hij leidde later het rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd, dat steunde op het landbouwcrisisapparaat (zie Oorlog en wederopbouw).20 Na de oorlog bouwde het landbouwbeleid voort op de ervaring en de administratie uit de crisisjaren.21 Het idee van een geordende landbouw leefde voort in de bedrijfsorganisatie, met het Landbouwschap en de productschappen.
Ook in Europa kwam het idee terug: gegarandeerde prijzen, heffingen aan de grens en het opkopen van overschotten. Volgens Mansholt zelf werd het heffingenstelsel uit de crisisjaren op Nederlands initiatief overgenomen in het Europese landbouwbeleid.21 De Landbouwcrisiswet was zo een voorloper van het Europese landbouwbeleid.
Een exportsector in de knel
Na de beurskrach van 1929 raakte de wereldeconomie in een diepe crisis, en landen sloten hun grenzen voor buitenlandse producten. Voor Nederland, dat veel boter, kaas, eieren en vlees exporteerde, was dat een harde klap. Toen Nederland zijn overtollige boter in België dumpte, antwoordde dat land met invoerquota.1 De afhankelijkheid van buitenlandse markten was al eerder pijnlijk gebleken: in 1926 had Groot-Brittannië onverwacht de grens gesloten voor Nederlands vers varkensvlees, de zogeheten Londense biggen. Officieel ging het om een veterinaire maatregel, in feite om bescherming van de eigen varkenshouders. Nederlandse boeren moesten overstappen op zwaardere baconvarkens, een markt die Denemarken al beheerste.2
In het najaar van 1931 lieten Groot-Brittannië en Denemarken, de grote concurrent op de Britse markt, de gouden standaard los. Hun munten werden goedkoper, maar de gulden bleef duur. Nederlandse producten waren in het buitenland daardoor nog moeilijker te verkopen.2 De prijzen zakten zo diep dat veel boeren met verlies werkten. In Zuid-Holland werd melk op de veiling begin jaren dertig soms voor maar twee à drie cent per liter verkocht.3
Van vrije markt naar ordening
In de crisis van rond 1880 had de regering de markt grotendeels haar werk laten doen, zie De landbouwcrisis. Nu was de nood te groot. Het 'groene front' van landbouworganisaties wist de regering ervan te overtuigen haar liberale houding tegenover het economische leven los te laten.8 In april 1930 begon een Landbouwcrisiscommissie met haar werk.4 Daarna volgden losse steunwetten: de Tarwewet van 1931, en in 1932 de Crisis-Zuivelwet en de Crisis-Varkenswet.5 Ook kwam er een Crisispachtwet, die pachters uitstel van betaling kon geven.6
Die eerste maatregelen riepen wrevel op. De Tarwewet was vooral bedoeld voor de akkerbouwers op de zeeklei in het noorden en zuidwesten. Tuinders, akkerbouwers in de Veenkoloniën en de kleine gemengde boeren op het zand voelden zich achtergesteld; het beleid gold als te slap, te wisselvallig en te eenzijdig gericht op grote boeren.8 De zuivel- en varkenswetten moesten vooral die kleine zandboeren helpen.2
Op 5 mei 1933 volgde één overkoepelende wet: de Landbouw-Crisiswet 1933, gepubliceerd in het Staatsblad van 1933 als nummer 261.7,5 Bij een wetswijziging in 1934 gingen de eerdere wetten daarin op.5 Daarom noemen sommige historici 1934 als het jaar van de wet.8
Brede bevoegdheden, veel geld
De wet gaf de minister vergaande bevoegdheden over productie, prijzen, kwaliteit, handel en verwerking van de meeste landbouwproducten.8 Het geld kwam uit een Landbouwcrisisfonds, gevuld met heffingen op producten in het binnenland en op invoer. De invoerheffing zorgde ervoor dat buitenlandse producten niet goedkoper waren dan Nederlandse. Met het geld uit het fonds kregen boeren steun en een betere prijs.7 Het ging om grote bedragen. Tussen 1933 en 1936 gaf de staat bijna 200 miljoen gulden per jaar uit aan de crisismaatregelen, terwijl de hele landbouw een inkomen had van 400 tot 500 miljoen gulden en de rijksbegroting ongeveer 800 miljoen bedroeg.8
De wet kwam tot stand onder minister Verschuur van Economische Zaken, waar landbouw toen onder viel.9 Pas in 1935 kreeg Nederland een apart ministerie van Landbouw.10
Voor de uitvoering kwamen er crisisorganisaties per sector, zoals de Crisis-Zuivelcentrale uit 1932, de Varkenscentrale en later een centrale voor rundvee.11,12 Daarin werkten boeren, handel en industrie samen onder toezicht van de overheid, met regeringscommissarissen aan het hoofd.5 Zo ontstond een nieuw model: de sector regelde veel zelf, maar binnen de lijnen die de staat trok. De Varkenscentrale kocht baconvarkens op boven de Londense marktprijs en betaalde strikt naar kwaliteit.2 Toch kon ze niet voorkomen dat de exportprijs van bacon daalde van 1,05 gulden per kilo in 1929 naar 0,50 gulden in 1935.27
Merken, schetsen en controleurs
Prijssteun werkte alleen als de productie tegelijk werd beperkt; anders zouden hogere prijzen alleen maar tot meer overschotten leiden.27 Steun had dus een prijs: regels. Varkenshouders moesten lid worden van de Varkenscentrale en kregen een beperkt aantal biggenmerken. Wie bij controle meer dieren bleek te hebben, overtrad de wet.12 Een klein gemengd bedrijf in Raalte met vier koeien kreeg in 1936–37 bijvoorbeeld veertien biggenmerken.13 In 1934 kwam er een teeltregeling voor rundvee: in heel Nederland mochten per jaar niet meer dan 350.000 vaarskalveren en 60.000 stierkalveren worden opgefokt, en elke veehouder kreeg een beperkt aantal 'kalverschetsen'.14 In de pluimveehouderij werd eind 1933 de taakverdeling tussen fokkers, vermeerderaars en broederijen verplicht. De productie per hen steeg daarna van ongeveer 116 eieren in 1933 tot zo'n 160 vlak voor de oorlog.27
Niet elke maatregel werkte zoals bedoeld. Om de melkproductie te remmen, moesten 160.000 drachtige vaarzen worden geslacht. Veel boeren hielden daarop hun oudere koeien langer aan, en de melkstroom groeide juist.14 Ook ontstond er een zwart circuit. Het aantal boeren dat zelf boter karnde, steeg van ongeveer 18.000 naar 40.000; op die boter zat geen heffing. De regering antwoordde met een karnverbod.15 Minder varkens betekende ook minder afzet voor ondermelk, het restproduct van de boterfabriek. In Drenthe werd ondermelk soms gewoon in de sloot gegooid.16
Er kwamen crisiscontroleurs die op de boerderij kwamen kijken. Veel boeren ervoeren dat als een inbreuk op hun vrijheid, en de controle zette veel kwaad bloed.14 Anderen waren blij met de zekerheid. De productiebeperkingen troffen juist de kleine boeren op het zand relatief hard; hun levensstandaard was sinds eind jaren twintig gedaald, en begin jaren dertig was er sprake van werkelijke verarming. Voor hen werden de regels later iets versoepeld, en er kwam een aparte Dienst voor de Kleine Boerenbedrijven.27 Margarine moest een tijdlang verplicht een deel boter bevatten, het zogeheten menggebod, zodat er meer boter werd afgezet.17 Voor het minst draagkrachtige deel van de bevolking kwam er goedkope, ongemengde margarine.18
Een blijvend apparaat
Toen de vooruitzichten in 1937 verbeterden, werd het menggebod op 28 september van dat jaar opgeheven; ook het karnverbod verdween.19 Maar het apparaat bleef. Bieleman spreekt van een echte waterscheiding: vóór 1930 beperkte de overheid zich tot het verbeteren van de landbouwkundige infrastructuur, een faciliterend beleid. Daarna werd het een regulerend beleid, dat de overheid steeds meer invloed gaf op de richting van de productie. Als voorspel noemt hij de voedselmaatregelen uit de Eerste Wereldoorlog.21
Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, kon de overheid de opgebouwde kennis en administratie gebruiken voor de distributie van voedsel. Een van de oprichters van het Landbouwcrisisbureau in 1933 was ir. S.L. Louwes.5 Hij leidde later het rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd, dat steunde op het landbouwcrisisapparaat, zie Oorlog en wederopbouw.20 Volgens historica Krips-Van der Laan bouwde het landbouwbeleid na 1950 voort op de ervaring en de administratie uit de crisisjaren.21 Het idee van een geordende landbouw leefde voort in de bedrijfsorganisatie, met het Landbouwschap en de productschappen.
Ook in Europa keerde het idee terug: gegarandeerde prijzen, heffingen aan de grens en het opkopen van overschotten. Volgens Mansholt zelf werd het heffingenstelsel uit de crisisjaren op Nederlands initiatief overgenomen in het Europese landbouwbeleid.21 Zo bezien was de Landbouwcrisiswet een voorloper van het Europese landbouwbeleid, al is dat vooral de lezing van betrokkenen zelf.
- Voor het eerst stuurde de overheid direct op prijzen en productie in de landbouw. Met de crisiswetgeving ging de overheid een drempel over, en daarop bouwde het beleid na de oorlog verder.22 Dat idee bestaat tot vandaag.
- Het distributieapparaat kreeg in de oorlog een nieuwe rol bij de voedselvoorziening. Zie Oorlog en wederopbouw.
- Gegarandeerde prijzen en grensheffingen keerden terug in het Europese beleid.21 Zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Verplichte bijdragen aan een landbouworganisatie leidden later tot verzet. Zie De geordende landbouw.
- Productiebeperking per bedrijf kwam later terug, bijvoorbeeld bij het Het melkquotum.
- Dat boeren regels omzeilen of hun bedrijf erop aanpassen, bleek al in de jaren dertig. Het speelde later opnieuw bij quota en productierechten. Zie Einde melkquotum, begin fosfaatrechten.
Vier perspectieven
De boer
Steun hielp veel boeren de crisis door. Zonder heffingen en betere prijzen waren veel kleine bedrijven failliet gegaan. Maar ze moesten formulieren invullen, dieren laten merken en controleurs toelaten. Voor wie gewend was zelf te beslissen, voelde dat als bemoeizucht. 'De boer was zijn vrijheid kwijt', zo vatten sommigen het later samen. De belangen liepen ook uiteen: de Crisis-Varkenswet was vooral bedoeld voor de varkenshouders op de zandgronden, de Tarwewet voor de akkerbouwers.
De overheid
De regering zag geen andere uitweg. Zonder steun dreigden veel boerenbedrijven failliet te gaan, en daarmee het hele platteland. Door in te grijpen hoopte ze dat te voorkomen. Dat kostte veel geld en leverde een groot apparaat op. De overheid merkte ook hoe moeilijk sturen is. Elke nieuwe regel leidde tot nieuwe uitwegen, zoals het zelf karnen van boter, en dus weer tot nieuwe regels.
De handel
Handelaren, zuivelfabrieken en slachterijen werkten mee in de crisisorganisaties. Dat gaf hen invloed, maar ook nieuwe regels. Wie gewend was vrij te handelen, moest nu rekening houden met heffingen en vergunningen. Over het menggebod was niemand tevreden. De margarine-industrie verzette zich ertegen, en ook in de zuivel vreesde men voor de naam van de Nederlandse boter.
De stedeling
In de steden zaten veel mensen zonder werk. Voor hen leverde de wet soms goedkopere boter en vlees op. Tegelijk betaalden consumenten mee via heffingen en hogere prijzen. In het eerste jaar van de wet stegen de voedselprijzen flink. Critici wezen erop dat grote gezinnen met een laag inkomen daardoor naar verhouding het meest bijdroegen.
De boer
Steun hielp veel boeren de crisis door. Zonder heffingen en betere prijzen waren veel kleine bedrijven failliet gegaan. Maar ze moesten formulieren invullen, dieren laten merken en controleurs toelaten. Voor wie gewend was zelf te beslissen, voelde dat als bemoeizucht. 'De boer was zijn vrijheid kwijt', zo vatten sommigen het later samen. De belangen liepen bovendien uiteen: de Tarwewet diende vooral de akkerbouwers op de klei, de Crisis-Varkenswet de varkenshouders op het zand, en juist de kleinste boeren werden door de productiebeperkingen het hardst geraakt.
De overheid
De regering zag geen andere uitweg. Zonder steun dreigden veel boerenbedrijven failliet te gaan, en daarmee de leefbaarheid van het hele platteland. Door in te grijpen hoopte ze dat te voorkomen. Dat kostte veel geld en leverde een groot apparaat op. De overheid merkte ook hoe moeilijk sturen is. Elke nieuwe regel leidde tot nieuwe uitwegen, zoals het zelf karnen van boter, en dus weer tot nieuwe regels. Prijssteun zonder productiebeperking bleek niet te werken.
De handel
Handelaren, zuivelfabrieken en slachterijen werkten mee in de crisisorganisaties. Dat gaf hen invloed, maar ook nieuwe regels. Wie gewend was vrij te handelen, moest nu rekening houden met heffingen, vergunningen en controle. Over het menggebod was niemand echt tevreden. De margarine-industrie verzette zich ertegen, en ook in de zuivel vreesde men voor de goede naam van de Nederlandse boter.
De stedeling
In de steden zaten veel mensen zonder werk. Voor hen leverde de wet soms goedkopere boter en vlees op. Tegelijk betaalden consumenten mee via heffingen en hogere prijzen. In het eerste jaar van de wet stegen de voedselprijzen flink. Critici wezen erop dat grote gezinnen met een laag inkomen daardoor naar verhouding het meest bijdroegen aan de steun voor de landbouw.
- Wie boter in Nederland verkocht, moest een crisisbotermerk kopen als bewijs dat de heffing was betaald. Bij de start in 1932 kostte dat 42 cent per kilo boter. Later werd het een gulden.23
- De Tarwewet van 1931 schreef met een 'maal- en menggebod' voor dat het meel van de bakkers voor een deel uit Nederlandse tarwe moest bestaan.24 De boer kreeg een minimumprijs van 12,50 gulden per 100 kilo, twee keer de wereldmarktprijs.25
- Ondanks alle beperkingen steeg de Nederlandse melkproductie van ongeveer 4,4 miljoen ton in 1930 naar 4,9 miljoen ton in 1936.19
- Nederland kreeg in 1935 voor het eerst een zelfstandig ministerie van Landbouw.10 De katholieke politicus Laurent Deckers was er vanaf 2 september 1935 minister van Landbouw en Visserij.26
In de jaren dertig ruilden boeren een deel van hun vrijheid in voor zekerheid. Hoeveel regels mag de overheid stellen als ze boeren ook steunt?
- Y. Segers en W. Lefebvre, 'Industrialising the countryside. The cooperative dairy industry in Belgium during the interwar period', in Y. Segers, J. Bieleman en E. Buyst (red.), Exploring the Food Chain (2009), p. 52. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 213. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 66, link. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 302 en 324, link. ↩
- Nationaal Archief, Inventaris van het archief van de Stichting Landbouwcrisisbureau, 1930–1939, toegang 2.11.14, inleiding (o.a. Tarwewet 1931, Stb. 65; Crisiszuivelwet 1932, Stb. 290; Crisisvarkenswet 1932, Stb. 374; Landbouwcrisiswet 1933, Stb. 261; wet van 27 juli 1934, Stb. 469), link. ↩
- Ontwerp van wet tot wijziging van de Crisispachtwet 1932, Handelingen Tweede Kamer 1932–1933, Bijlagen, nr. 234, link. ↩
- C. Bouwmeester e.a., Kroniek van de 20ste eeuw [tot en met 1940], 'Landbouwcrisiswet breder' (27 juli 1934), DBNL, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 167. ↩
- Parlement.com, 'Mr. T.J. Verschuur' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 165. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 71, link. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 308, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 215 (box 3.1). ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 309, link. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 186, link. ↩
- J. Bieleman, 'The emergence of mechanised dairying in the northern Netherlands, and particularly in the provinces of Drenthe and Friesland', in Y. Segers, J. Bieleman en E. Buyst (red.), Exploring the Food Chain (2009), p. 42. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 145, link. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 83, link. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 311, link. ↩
- I. de Zwarte, 'Honger lang met succes bestreden', Binnenlands Bestuur (20 maart 2020), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 168, noot 294. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 316. ↩
- Zuivelhistorie Nederland, MAP Zuivelindustrie, melkveehouderij en melkhandel in crisistijd 1929–1940 (knipselmap, versie 2019), p. 142, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 258. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 178. ↩
- Parlement.com, 'L.N. Deckers' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 214.
Verder lezen
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).