In dit schilderij
- Het contract op tafel: de beheersovereenkomst.
- De pen: de vrijwillige keuze van de boer om te tekenen.
- Het hoge, bloeiende gras: later maaien.
- De grutto op het paaltje: de weidevogels.
- De kaart met gearceerde percelen: beheers- en reservaatsgebieden.
De Relatienota
In 1975 legde de regering een nota voor over de relatie tussen landbouw en het beheer van landschap, planten en dieren. Het idee was nieuw: boeren konden geld krijgen als ze hun land zo beheerden dat weidevogels, bloemen en landschap er beter van werden. Veel boeren waren woedend, natuurbeschermers vonden het te weinig. Toch werd de Relatienota de basis van het agrarisch natuurbeheer van vandaag.
In 1975 legde de regering een nota voor over de verhouding tussen landbouw en het beheer van landschap, planten en dieren: de Relatienota. Het uitgangspunt was nieuw. Boeren konden een vergoeding krijgen als ze hun land zo beheerden dat weidevogels, bloemrijk grasland en het oude cultuurlandschap er beter van werden. Op het platteland was de verontwaardiging groot, natuurbeschermers vonden het te weinig en te traag. Toch werd de Relatienota het begin van het agrarisch natuurbeheer van vandaag, en van een debat dat nog altijd loopt: werkt dat beheer door boeren echt?
Weidevogels onder druk
Na de oorlog veranderde het boerenland snel. Ruilverkaveling maakte percelen groot en recht. Sloten werden gedempt, het waterpeil ging omlaag en kunstmest maakte het gras snel en dicht. Er werd eerder en vaker gemaaid. Weidevogels zoals de grutto en de kievit kregen het moeilijker, en bloemrijke graslanden verdwenen.1 Zie Ruilverkaveling.
In de jaren zestig broedden er in Nederland nog zo'n 120.000 paar grutto's. In 2015 waren het er rond de 33.000.1 Dat de vogels ooit zo talrijk waren, kwam juist door de landbouw: eeuwen van beweiden, hooien en bemesten met stalmest hadden een open, nat en bloemrijk graslandlandschap gemaakt. Natuurbeschermers vroegen zich af hoe dat cultuurlandschap bewaard kon worden. Het was door boeren gemaakt, en kon alleen blijven bestaan als er ook geboerd werd. Zie ook Natuur is mensenwerk.
Een nota over boer en landschap
In februari 1975 bood de regering de Tweede Kamer de Nota betreffende de relatie landbouw en natuur- en landschapsbehoud aan, kortweg de Relatienota. De nota stelde vast dat de modernisering van de landbouw op veel plaatsen natuur- en landschapswaarden had aangetast of bedreigd.2 Een jaar eerder had de Derde Nota Ruimtelijke Ordening al gezegd dat oude cultuurlandschappen bescherming verdienden.3 Volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman erkende de overheid met de Relatienota voor het eerst dat natuur, landschap en recreatie bij de inrichting van het platteland hoorden. Het ruilverkavelingsplan van 1958 had daar nog geen oog voor gehad.4
De nota onderscheidde twee soorten gebieden. In beheersgebieden bleven boeren aan het werk, maar konden ze vrijwillig een beheersovereenkomst sluiten. Ze kregen dan een vergoeding als ze hun bedrijfsvoering afstemden op natuur en landschap, bijvoorbeeld door later te maaien, minder mest te gebruiken of nesten te sparen. In reservaatsgebieden zou de grond op den duur, ook op vrijwillige basis, worden aangekocht en door natuurorganisaties worden beheerd.2
De ambitie was groot: in totaal ongeveer 200.000 hectare, ruwweg de helft beheersgebied en de helft reservaat. Dat zou in twee stappen gebeuren, zonder vaste einddatum.3
Verzet op het platteland
Op het platteland viel de nota slecht. Boeren vreesden dat ze hun grond zouden kwijtraken of dat ze niet meer mochten moderniseren. Dat was begrijpelijk: overheid en voorlichting hadden hun decennialang aangeraden om juist te intensiveren. Natuurbeschermers vonden het tempo juist te laag. Het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), dat toen over natuurbescherming ging, trok in 1979 35 miljoen gulden uit voor aankoop, daarna steeds minder. In 1981 rekende een natuurtijdschrift voor dat het zo zo'n vijftig jaar zou duren voor alle waardevolle gebieden veilig waren.5
Het duurde jaren voordat de nota echt werd uitgevoerd. Het verzet van boeren, de hoge grondprijzen en andere claims op de ruimte remden de uitvoering. In 1997 was er ongeveer 50.000 hectare gerealiseerd, een kwart van het doel.3
Van nota naar collectief
Toch zette de Relatienota iets nieuws in gang: de boer als beheerder van landschap, planten en dieren, betaald door de overheid. Dat idee groeide uit tot het agrarisch natuurbeheer. Vanaf het begin van de jaren negentig organiseerden boeren zich ook zelf. De eerste milieucoöperaties ontstonden in 1992 in het oosten van Friesland, als antwoord op de steeds ingewikkelder regels voor mest, natuur en landschap.6 Op veel plaatsen volgden agrarische natuurverenigingen, waarin boeren samen weidevogels en landschap beschermden.
In het Natuurbeleidsplan van 1990 gingen de Relatienotagebieden op in de Ecologische Hoofdstructuur, het landelijke netwerk van beschermde gebieden.3 Sinds 2016 werken boeren in Nederland met agrarische collectieven die per regio het agrarisch natuur- en landschapsbeheer regelen. Het geld komt van de Europese Unie, via het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van de provincies.7 Zie Natuur is mensenwerk.
Werkt het?
Of het werkt, is onderwerp van debat. In 2001 concludeerden ecoloog David Kleijn en collega's in het tijdschrift Nature dat de beheersovereenkomsten de biodiversiteit in het Nederlandse boerenland niet effectief beschermden.8 In 2013 adviseerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur om het agrarisch natuurbeheer te herzien en te concentreren in grote, aaneengesloten gebieden.9 Anderen wijzen op plekken waar het wel lukt, vooral als een heel gebied meedoet: met een hoog waterpeil, laat gemaaid grasland en rust in het broedseizoen.
Een landschap dat verdween
Na de oorlog veranderde het boerenland in hoog tempo. Het beleid stuurde op een hogere arbeidsproductiviteit, en het platteland werd daarop ingericht. Het Meerjarenplan voor ruilverkaveling van 1958 richtte zich uitdrukkelijk op grotere bedrijven; meer dan tien jaar lang werd jaarlijks aan projecten van samen meer dan 50.000 hectare begonnen. Veel van het vertrouwde landschap werd daarbij ingrijpend veranderd of verdween helemaal.4 Percelen werden groot en recht, sloten werden gedempt, het waterpeil ging omlaag en kunstmest maakte het gras snel en dicht. Er werd eerder en vaker gemaaid. Weidevogels zoals de grutto en de kievit kregen het moeilijker, en bloemrijke graslanden verdwenen.1 Zie Ruilverkaveling.
In de jaren zestig broedden er in Nederland nog zo'n 120.000 paar grutto's. In 2015 waren het er rond de 33.000.1 Dat de vogels ooit zo talrijk waren, kwam juist door de landbouw: eeuwen van beweiden, hooien en bemesten met stalmest hadden een open, nat en bloemrijk graslandlandschap gemaakt. Daar zat de kern van het probleem. Dit cultuurlandschap was door boeren gemaakt en kon alleen blijven bestaan als er ook geboerd werd, maar dan wel op een manier die niet meer paste bij de moderne bedrijfsvoering. Zie ook Natuur is mensenwerk.
Drie ministeries, één nota
In februari 1975 bood de regering de Tweede Kamer de Nota betreffende de relatie landbouw en natuur- en landschapsbehoud aan. Drie ministeries hadden eraan gewerkt: Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM), Landbouw en Visserij, en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.3 Dat zegt iets over het onderwerp: het ging tegelijk om landbouw, om het beheer van planten en dieren en om de inrichting van het land. De nota stelde vast dat de modernisering van de landbouw op veel plaatsen waarden van landschap, planten en dieren had aangetast of bedreigd.2 Een jaar eerder had de Derde Nota Ruimtelijke Ordening al gezegd dat oude cultuurlandschappen bescherming verdienden.3
Volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman erkende de overheid met de Relatienota voor het eerst dat natuur, landschap en recreatie bij de inrichting van het platteland hoorden. Het ruilverkavelingsplan van 1958 had daar nog geen oog voor gehad. In 1985 volgde een Landinrichtingswet die meer aandacht had voor landschap en natuurwaarden dan de oude ruilverkavelingswet.4
Beheer of reservaat
De nota onderscheidde twee soorten gebieden. In beheersgebieden bleven boeren aan het werk, maar konden ze vrijwillig een beheersovereenkomst sluiten. Ze kregen dan een vergoeding als ze hun bedrijfsvoering afstemden op landschap, planten en dieren, bijvoorbeeld door later te maaien, minder mest te gebruiken of nesten te sparen. In reservaatsgebieden zou de grond op den duur, ook op vrijwillige basis, worden aangekocht en door natuurorganisaties worden beheerd.2
De ambitie was groot: in totaal ongeveer 200.000 hectare, ruwweg de helft beheersgebied en de helft reservaat. Dat zou in twee stappen gebeuren, zonder vaste einddatum.3 In die tweedeling zat al de vraag die het beleid tot vandaag bepaalt: kun je weidevogels en bloemrijk grasland beter beschermen met boeren die daarvoor betaald worden, of door grond uit de landbouw te halen?
Verzet en vertraging
Op het platteland viel de nota slecht. Boeren vreesden dat ze hun grond zouden kwijtraken of dat ze niet meer mochten moderniseren. Die angst is te begrijpen: overheid en voorlichting hadden hun decennialang aangeraden om juist te intensiveren, en ruilverkaveling had het land daar net voor ingericht. Nu vroeg een andere hand van dezelfde overheid het omgekeerde.
Natuurbeschermers vonden het tempo juist te laag. Het ministerie van CRM, dat toen over natuurbescherming ging, trok in 1979 35 miljoen gulden uit voor aankoop, daarna steeds minder. In 1981 rekende een natuurtijdschrift voor dat het zo zo'n vijftig jaar zou duren voor alle waardevolle gebieden veilig waren.5 Ook conflicten met boeren over beperkingen in hun bedrijfsvoering, de hoge grondprijzen en andere claims op de ruimte remden de uitvoering.3 In 1997 was er ongeveer 50.000 hectare gerealiseerd, een kwart van het doel. Volgens het Planbureau voor de Leefomgeving lag er in 2001 zo'n 75.000 hectare beheersgebied, en in 2009 nog 60.000 hectare.3
Van nota naar collectief
Toch zette de Relatienota iets nieuws in gang: de boer als beheerder van landschap, planten en dieren, betaald door de overheid. Dat idee groeide uit tot het agrarisch natuurbeheer. Vanaf het begin van de jaren negentig organiseerden boeren zich ook zelf. De eerste milieucoöperaties ontstonden in 1992 in het oosten van Friesland, als antwoord op de steeds ingewikkelder regels voor mest, natuur en landschap.6 Bieleman vergelijkt ze met de coöperaties van eind negentiende eeuw: ook toen organiseerden boeren zich zelf, als antwoord op wat economen de onvolkomenheid van de markt noemen.6 Op veel plaatsen volgden agrarische natuurverenigingen, waarin boeren samen weidevogels en landschap beschermden.
In het Natuurbeleidsplan van 1990 gingen de Relatienotagebieden op in de Ecologische Hoofdstructuur, het landelijke netwerk van beschermde gebieden.3 Het beleid verschoof daarbij steeds meer van aankoop naar beheer door particulieren.3 Sinds 2016 werken boeren in Nederland met agrarische collectieven die per regio het agrarisch natuur- en landschapsbeheer regelen. Het collectief maakt een beheerplan voor zijn gebied en sluit daarna zelf de contracten met de deelnemende boeren. Het geld komt van de Europese Unie, via het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van de provincies.7 Zie Natuur is mensenwerk.
Een blijvend debat
Of het werkt, is onderwerp van debat onder ecologen en beleidsmakers. In 2001 concludeerden ecoloog David Kleijn en collega's in het tijdschrift Nature dat de beheersovereenkomsten de biodiversiteit in het Nederlandse boerenland niet effectief beschermden.8 In 2013 adviseerde de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur om het agrarisch natuurbeheer te herzien en te concentreren in grote, aaneengesloten gebieden.9 Anderen wijzen op plekken waar het wel lukt, vooral als een heel gebied meedoet: met een hoog waterpeil, laat gemaaid grasland en rust in het broedseizoen. Het debat gaat dus minder over de vraag óf boeren een rol hebben, en meer over hoe, waar en op welke schaal.
- Het idee van betaald natuurbeheer door boeren leeft voort in het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, uitgevoerd door 39 regionale collectieven. In 2025 deden meer dan 12.700 boeren mee, op zo'n 133.000 hectare.7
- Het Natuurbeleidsplan van 1990 bouwde verder met een landelijk netwerk van beschermde gebieden, nu het Natuurnetwerk Nederland.
- In 2011 werden de ambities voor dat netwerk verkleind. Of de 200.000 hectare uit de Relatienota ooit wordt gehaald, is onzeker.3
- Het spanningsveld tussen productie en de bescherming van planten en dieren kwam later scherp terug bij mest en stikstof. Zie Het mestprobleem en zure regen, Natura 2000 en De PAS-uitspraak.
- Zie ook Ruilverkaveling en Klimaat: uitstoot, water en bodem.
Vier perspectieven
De boer
Veel boeren voelden de nota als een bedreiging van hun bedrijf en hun eigendom. Grond was voor hen niet zomaar een productiemiddel, maar vaak al generaties familiebezit. Anderen zagen een kans: een extra inkomen voor werk dat ze soms al deden, zoals nesten markeren of later maaien. Wie meedoet, wil wel zekerheid dat de afspraken jaren blijven gelden en dat de vergoeding de gemiste opbrengst echt dekt.
De weidevogel
Weidevogels en bloemrijk grasland hebben nat land, laat maaien en weinig mest nodig. Een grutto-kuiken heeft na het uitkomen hoog gras met veel insecten nodig om te schuilen en te eten. Ecologen vragen zich af of losse overeenkomsten genoeg zijn als het landschap eromheen intensief blijft. Ook roofdieren en een te laag waterpeil spelen mee.
De overheid
De overheid zocht een middenweg tussen landbouw en de bescherming van planten en dieren, zonder boeren te dwingen. Vrijwilligheid maakte het beleid aanvaardbaar, maar ook traag en duur. De overheid moest steeds opnieuw kiezen: grond aankopen voor reservaten, of boeren betalen om weidevogels en bloemen op hun land te houden.
De burger
Veel Nederlanders houden van het open weidelandschap met grutto's en kieviten. Via belastinggeld en Europese subsidies betalen ze mee aan het beheer. Over de vraag of dat geld goed besteed wordt, verschillen de meningen. Sommigen willen meer geld voor natuurbeheer door boeren, anderen liever meer grond voor natuurorganisaties.
De boer
Veel boeren voelden de nota als een bedreiging van hun bedrijf en hun eigendom. Grond was voor hen niet zomaar een productiemiddel, maar vaak al generaties familiebezit, en de toekomst van het bedrijf hing af van de mogelijkheid om te groeien. Anderen zagen een kans: een extra inkomen voor werk dat ze soms al deden, zoals nesten markeren of later maaien. Wie meedoet, wil wel zekerheid dat de afspraken jaren blijven gelden en dat de vergoeding de gemiste opbrengst echt dekt.
De weidevogel
Weidevogels en bloemrijk grasland hebben nat land, laat maaien en weinig mest nodig. Een gruttokuiken heeft na het uitkomen hoog gras met veel insecten nodig om te schuilen en te eten. Ecologen vragen zich af of losse overeenkomsten genoeg zijn als het landschap eromheen intensief blijft. Ook roofdieren en een te laag waterpeil spelen mee, en die laten zich niet per perceel regelen.
De overheid
De overheid zocht een middenweg tussen landbouw en de bescherming van planten en dieren, zonder boeren te dwingen. Vrijwilligheid maakte het beleid aanvaardbaar, maar ook traag en duur. De overheid moest steeds opnieuw kiezen: grond aankopen voor reservaten, of boeren betalen om weidevogels en bloemen op hun land te houden. Bij elke bezuiniging stond die keuze opnieuw ter discussie.
De burger
Veel Nederlanders houden van het open weidelandschap met grutto's en kieviten. Via belastinggeld en Europese subsidies betalen ze mee aan het beheer. Over de vraag of dat geld goed besteed wordt, verschillen de meningen. Sommigen willen meer geld voor natuurbeheer door boeren, anderen liever meer grond voor natuurorganisaties, en weer anderen vinden dat de landbouw zelf ruimte moet krijgen.
- De Relatienota stelde zelf vast dat de landbouw tot ongeveer 1900 vooral goed was geweest voor planten en dieren, en pas daarna steeds vaker schadelijk.3
- In 2015 kozen Nederlanders de grutto tot nationale vogel, in een verkiezing van Vroege Vogels en Vogelbescherming Nederland. De merel werd tweede.10
- De naam grutto is een klanknabootsing van de roep van de vogel.11
- Veel Nederlandse grutto's overwinteren in West-Afrika. Op de rijstvelden van Guinee-Bissau eten ze vooral rijstkorrels die na de oogst zijn achtergebleven, naar schatting ruim duizend per dag.12
- In 2009 had 8 procent van de Nederlandse landbouwbedrijven, 5.773 in totaal, een beheersovereenkomst voor agrarisch natuur- of landschapsbeheer.13
Boeren krijgen geld voor natuurbeheer op hun land. Is dat een goede manier om weidevogels en landschap te beschermen, of moeten planten en dieren een eigen plek krijgen, in reservaten?
- R. Kentie, J. Hooijmeijer, E. van der Velde en T. Piersma, De Grutto Monitor 2016, Rijksuniversiteit Groningen (2017), p. 7, link. ↩
- Provincie Gelderland, Beheersplan voor het beheers- en reservaatsgebied IJsseluiterwaarden (1992), p. 1, link. ↩
- Wikipedia, 'Relatienota' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 243–244. ↩
- 'Een farce', Het Vogeljaar 29 (1981), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 247–248. ↩
- BoerenNatuur, 'ANLb-stelsel' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- D. Kleijn, F. Berendse, R. Smit en N. Gilissen, 'Agri-environment schemes do not effectively protect biodiversity in Dutch agricultural landscapes', Nature 413 (2001), 723–725, link. ↩
- Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Onbeperkt houdbaar (2013), link. ↩
- BNNVARA Vroege Vogels, 'Grutto gekozen tot nationale vogel' (17 november 2015), link. ↩
- Etymologiebank, 'grutto', o.a. uit M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (geraadpleegd 2026), link. ↩
- A.-M. Blomert, bespreking van W. Altenburg en J. van der Kamp, Importance des zones humides de la Mauritanie du Sud, du Sénégal, de la Gambie et de la Guinée-Bissau pour la Barge à queue noire (1985), Limosa 59 (1986), link. ↩
- CBS, 'Natuurbeheer geen vetpot voor boeren' (2010), link. ↩
Verder lezen
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).