In dit schilderij
- De gescheurde wei met aardappelen: grasland werd akker.
- De boer met zijn paard: werken zonder brandstof en met weinig kunstmest.
- De bonkaart: voedsel op de bon, van 1939 tot 1952.
- De nieuwe trekker aan de horizon: na de oorlog kwamen de machines.
- De kist met het Marshallschild: Amerikaanse hulp voor de wederopbouw.
Oorlog en wederopbouw
Toen in 1939 de oorlog uitbrak, lag er in Nederland al een plan klaar voor de voedselvoorziening. Er kwam distributie met bonkaarten, en de landbouw schakelde om: minder varkens en kippen, meer aardappelen en graan. Na het dieptepunt van de Hongerwinter hielp de Amerikaanse Marshallhulp de landbouw weer op gang, met kunstmest, machines en nieuwe kennis.
Toen in 1939 de oorlog uitbrak, lag er in Nederland al een plan klaar voor de voedselvoorziening. Er kwam distributie met bonkaarten, en de landbouw schakelde om van een overschotseconomie naar een schaarste-economie: minder varkens en kippen, meer aardappelen en graan. Na het dieptepunt van de Hongerwinter hielp de Amerikaanse Marshallhulp de landbouw weer op gang, met kunstmest, machines en nieuwe kennis. Daarmee begon een periode waarin productieverhoging vanzelfsprekend werd.
Voorbereid op schaarste
Al in de Eerste Wereldoorlog waren er tekorten en verplichte leveringen. In 1917 protesteerden in Eindhoven ruim vijfduizend boeren tegen de gedwongen levering van rogge.1 In april 1937 installeerde minister Steenberghe van Economische Zaken een rijksbureau om de voedselvoorziening in oorlogstijd voor te bereiden. De leiding lag bij landbouwingenieur S.L. Louwes. Later heette het bureau het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd.2
Het bureau hoefde niet bij nul te beginnen. Het kon steunen op de Landbouwcrisiswet en de crisisorganisaties uit de jaren dertig, die al registreerden hoeveel dieren en hectares elke boer had (zie De Landbouwcrisiswet).2 Eind augustus 1939, tegelijk met de mobilisatie, gingen de voorbereidingen in werking. In oktober 1939 ging suiker als eerste product op de bon.2 Toen Duitsland in mei 1940 binnenviel, stond het hele distributiesysteem al klaar. Vanaf april 1941, toen ook aardappelen op de bon gingen, was bijna al het voedsel gerantsoeneerd.3 Tot de herfst van 1944 lagen de officiële rantsoenen maar iets onder het Duitse niveau.2
Minder dieren, meer akkerbouw
Voor de oorlog voerde Nederland grote hoeveelheden graan, maïs en oliekoeken in. In 1932 was de netto-invoer van maïs al 1,7 miljoen ton.4 Daarmee voerden boeren hun varkens en kippen, voor een groot deel voor de export. Met de oorlog viel die invoer volledig weg.5
Een varken of kip eet graan en aardappelen die ook een mens kan eten, en zet maar een klein deel daarvan om in vlees of eieren. Van een hectare gewassen kunnen dus meer mensen leven als ze die gewassen zelf eten.6
Boeren moesten een deel van hun grasland scheuren: omploegen tot akker. De teelt van aardappelen groeide van zo'n 130.000 hectare voor de oorlog naar 210.000 hectare in 1943. Rogge ging van 110.000 naar ongeveer 300.000 hectare, koolzaad voor olie van 3.000 naar zo'n 50.000 hectare.7 De varkens- en kippenstapel werd juist sterk ingekrompen. In maart 1942 was er nog maar een kwart van de varkens over. Het aantal kippen zakte van 34,9 miljoen in juni 1940 naar 3,0 miljoen in de winter van 1941–42.6 Het rundvee kromp minder: in 1944 was er nog ongeveer driekwart van de vooroorlogse stapel.5
Kunstmest en krachtvoer kwamen er bijna niet meer binnen. Toch daalde de productie minder dan de officiële cijfers suggereerden. De tarweopbrengst lag in 1943 nog op 96 procent van het vooroorlogse niveau.8 Boeren moesten hun oogst tegen vaste prijzen leveren. Een flink deel van de 'extra' productie, zoals melk, ging via informele netwerken en de zwarte markt naar de consument.9,5
De Hongerwinter
Het dieptepunt kwam in de winter van 1944–1945. Na de mislukte slag om Arnhem bleef het westen bezet. De regering in Londen riep op 17 september 1944 op tot een spoorwegstaking. Als straf verbood de bezetter het vervoer van voedsel uit het noorden en oosten naar het westen.10 Pas op 8 november 1944 werd dat verbod helemaal opgeheven.11 Daarna hielden gebrek aan brandstof en vervoer en de vorst de aanvoer laag. Eind november 1944 gaf het rantsoen in het westen nog maar zo'n 750 calorieën per dag. Op 25 april 1945 was dat gezakt tot ongeveer 400.11 Naar schatting twintig- tot vijfentwintigduizend mensen stierven door de ontberingen van de Hongerwinter.12
Tienduizenden stedelingen, vooral vrouwen, trokken op hongertochten naar het platteland in het noorden en oosten, om linnengoed en sieraden te ruilen voor eten.13 Vanaf eind februari 1945 werd Zweeds wittebrood uitgedeeld. Van 29 april tot 8 mei 1945 wierpen Britse en Amerikaanse vliegtuigen voedsel af, bij de operaties Manna en Chowhound.11
Marshallhulp
De oorlog liet grote schade na. Bijna negenduizend boerderijen waren verwoest en zesduizend zwaar beschadigd. 244.000 hectare land stond onder water, waarvan bijna 69.000 hectare met zout water, vooral in Zuid-Holland en Zeeland.9 Ook de Wieringermeer was nog in april 1945 onder water gezet. In juni 1945 werd Sicco Mansholt minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Zijn eerste taak was de voedselvoorziening weer op gang te brengen.14 In de loop van 1946 was al het ondergelopen land weer droog.15
In 1948 begon het Amerikaanse hulpprogramma voor Europa, genoemd naar minister George Marshall. Nederland kreeg in totaal ruim 1,1 miljard dollar, deels als lening en voor de rest als gift.16 In de landbouw profiteerden vooral de akkerbouwers op de klei ervan.17 De Marshallhulp gaf ook de doorbraak van de trekker een duw.18 Daarover gaat De trekker en de boerenexodus.
Even belangrijk was de kennis. Vanaf 1950 regelde de Contactgroep Opvoering Productiviteit, betaald uit Marshallgeld, studiereizen naar de Verenigde Staten, ook voor groepen boeren.19 Onderzoek en voorlichting, met Wageningen en de voorlichting als centrum, richtten zich op meer opbrengst per hectare, per dier en vooral per arbeider.18
Een nieuwe vanzelfsprekendheid
De schaarste duurde nog jaren. Graan werd pas in 1949 vrijgegeven, kunstmest in 1950, en veevoer bleef tot 1953 op rantsoen.15 De jaren van schaarste lieten sporen na. Voor veel beleidsmakers leek meer productie daarna vanzelfsprekend. Toch is het te simpel om het hele naoorlogse beleid uit de honger te verklaren. Volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman was de motor vooral dat lonen snel stegen en de prijzen van melk en tarwe nauwelijks.20 Mansholt zelf wilde vooral dat de boeren en landarbeiders van het Groningse platteland mee konden in de vaart der volkeren (zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid).
Voorbereid op schaarste
De Eerste Wereldoorlog had laten zien hoe kwetsbaar de Nederlandse landbouw was. De invoer van veevoer, kunstmest en broodgraan viel toen weg, en de binnenlandse productie moest halsoverkop worden omgebouwd. Er kwamen tekorten en verplichte leveringen; in 1917 protesteerden in Eindhoven ruim vijfduizend boeren tegen de gedwongen levering van rogge.1 Die les werd niet vergeten. In april 1937 installeerde minister Steenberghe van Economische Zaken een rijksbureau om de voedselvoorziening in oorlogstijd voor te bereiden, onder leiding van landbouwingenieur S.L. Louwes. Later heette het het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd.2
Het bureau hoefde niet bij nul te beginnen. Het kon steunen op de Landbouwcrisiswet en de crisisorganisaties uit de jaren dertig, die al registreerden hoeveel dieren en hectares elke boer had, zie De Landbouwcrisiswet.2 Eind augustus 1939, tegelijk met de mobilisatie, gingen de voorbereidingen in werking. In oktober 1939 ging suiker als eerste product op de bon.2 Toen Duitsland in mei 1940 binnenviel, stond het distributiesysteem al klaar. Vanaf april 1941, toen ook aardappelen op de bon gingen, was bijna al het voedsel gerantsoeneerd.3 Tot de herfst van 1944 lagen de officiële rantsoenen maar iets onder het Duitse niveau.2
Van dieren naar akkerbouw
Voor de oorlog voerde Nederland grote hoeveelheden graan, maïs en oliekoeken in; in 1932 was de netto-invoer van maïs al 1,7 miljoen ton.4 Daarmee voerden boeren hun varkens en kippen, voor een groot deel bestemd voor de export. Met de oorlog vielen zowel de exportmarkten als de invoer van krachtvoer volledig weg.5 Waar de overheid in de jaren dertig de productie had afgeremd, moest ze die nu juist stimuleren.9
De achterliggende redenering was eenvoudig. Een varken of kip eet graan en aardappelen die ook een mens kan eten, en zet maar een klein deel daarvan om in vlees of eieren. Varkens en pluimvee waren dus directe concurrenten van de mens. Van een hectare gewassen kunnen meer mensen leven als ze die gewassen zelf eten.6 De voedselvoorziening werd daarmee in hoeveelheid gegarandeerd, maar de kwaliteit ging omlaag: meer koolhydraten, minder eiwit en minder vet.9
Boeren moesten een deel van hun grasland scheuren, dat wil zeggen omploegen tot akker. De teelt van aardappelen groeide van zo'n 130.000 hectare voor de oorlog naar 210.000 hectare in 1943. Rogge ging van 110.000 naar ongeveer 300.000 hectare, koolzaad voor olie van 3.000 naar zo'n 50.000 hectare.7 Voor de gemengde bedrijven op het zand betekende dat een volledige omvorming van het bedrijf.6 De varkens- en kippenstapel werd sterk ingekrompen. In maart 1942 was er nog maar een kwart van de varkens over. Het aantal kippen zakte van 34,9 miljoen in juni 1940 naar 3,0 miljoen in de winter van 1941–42.6 Het rundvee kromp minder: in 1944 was er nog ongeveer driekwart van de vooroorlogse stapel.5
Productie onder druk
Kunstmest en krachtvoer kwamen er bijna niet meer binnen. Toch daalde de productie minder dan de officiële cijfers van toen suggereerden. Bieleman volgt hierin historicus G.M.T. Trienekens. De tarweopbrengst lag in 1943 nog op 96 procent van het vooroorlogse niveau.8 De melkproductie was in 1944 volgens deze herberekening nog 3,9 miljoen ton, 29 procent onder die van 1939 en anderhalf keer zoveel als de officiële statistiek opgaf.5 Boeren moesten hun oogst tegen vaste prijzen leveren. Een flink deel van de 'extra' productie ging via informele netwerken en de zwarte markt naar de consument.9,5 Akkerbouwers draaiden financieel zelfs vrij goed, al konden ze hun werktuigen niet vernieuwen en nauwelijks investeren.17 Achteraf oordeelt Bieleman dat de sector onder zeer moeilijke omstandigheden opmerkelijk had gepresteerd.9
De Hongerwinter
Het dieptepunt kwam in de winter van 1944–1945. Na de mislukte slag om Arnhem bleef het westen bezet. De regering in Londen riep op 17 september 1944 op tot een spoorwegstaking. Als vergelding verbood de bezetter het vervoer van voedsel uit het noorden en oosten naar het westen.10 Pas op 8 november 1944 werd dat verbod helemaal opgeheven.11 Daarna hielden gebrek aan brandstof en vervoer en de strenge vorst de aanvoer laag. Eind november 1944 gaf het rantsoen in het westen nog maar zo'n 750 calorieën per dag; op 25 april 1945 was dat gezakt tot ongeveer 400.11 Naar schatting twintig- tot vijfentwintigduizend mensen stierven door de ontberingen van de Hongerwinter.12 Het tekort was dus niet alleen een productieprobleem, maar vooral een probleem van vervoer en verdeling.
Tienduizenden stedelingen, vooral vrouwen, trokken op hongertochten naar het platteland in het noorden en oosten, om linnengoed en sieraden te ruilen voor eten.13 Vanaf eind februari 1945 werd Zweeds wittebrood uitgedeeld. Van 29 april tot 8 mei 1945 wierpen Britse en Amerikaanse vliegtuigen voedsel af, bij de operaties Manna en Chowhound.11
Herstel en Marshallhulp
De oorlog liet grote schade na. Bijna negenduizend boerderijen waren verwoest en zesduizend zwaar beschadigd, ongeveer acht procent van het totaal, vooral in het zuiden. 244.000 hectare land stond onder water, waarvan bijna 69.000 hectare met zout water, vooral in Zuid-Holland en Zeeland.9 Ook de Wieringermeer was nog in april 1945 onder water gezet. In juni 1945 werd Sicco Mansholt minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening; zijn eerste taak was de voedselvoorziening weer op gang te brengen.14 In de loop van 1946 was al het ondergelopen land weer droog.15 Het herstel van de veestapel ging moeizaam: in 1947 waren er nog maar 0,42 miljoen varkens (zonder biggen), tegen 1,2 miljoen in 1939, en pas na 1955 kwam de melkproductie boven het vooroorlogse niveau. Er was gebrek aan voer en aan buitenlandse valuta om het te kopen.23
In 1948 begon het Amerikaanse hulpprogramma voor Europa, genoemd naar minister George Marshall. Nederland kreeg in totaal ruim 1,1 miljard dollar, deels als lening en voor de rest als gift.16 In de landbouw profiteerden vooral de akkerbouwers op de klei ervan.17 De Marshallhulp gaf ook de doorbraak van de trekker een duw.18 Daarover gaat De trekker en de boerenexodus.
Even belangrijk was de kennis. Vanaf 1950 regelde de Contactgroep Opvoering Productiviteit, betaald uit Marshallgeld, studiereizen naar de Verenigde Staten, ook voor groepen boeren.19 Onderzoek en voorlichting, met Wageningen en de voorlichting als centrum, richtten zich op meer opbrengst per hectare, per dier en vooral per arbeider.18 De rijkslandbouwvoorlichtingsdienst groeide van iets minder dan 500 medewerkers naar meer dan 1.500 halverwege de jaren vijftig.15
Een nieuwe vanzelfsprekendheid
De schaarste duurde nog jaren. Graan werd pas in 1949 vrijgegeven, kunstmest in 1950, en veevoer bleef tot 1953 op rantsoen.15 De jaren van schaarste lieten diepe sporen na: voor veel beleidsmakers leek meer productie daarna vanzelfsprekend. Toch is het te simpel om het hele naoorlogse beleid uit de honger te verklaren. Volgens Bieleman was de motor vooral dat de lonen snel stegen, terwijl de prijzen van melk en tarwe nauwelijks meegingen.20 Al vanaf 1927 lag het inkomen van boeren onder het loon van landarbeiders, en in 1951 berekenden economen dat ongeveer een vijfde van de arbeidskrachten op kleine gemengde bedrijven als overtollig moest gelden.15 Het 'kleine-boerenvraagstuk' was zo, paradoxaal genoeg, een erfenis van het succes van de kleine boer rond 1900.15 Mansholt zelf wilde vooral dat de boeren en landarbeiders van het Groningse platteland mee konden in de vaart der volkeren, zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- De greep van de overheid op de landbouw bleef na de oorlog bestaan, in gegarandeerde prijzen en in de bedrijfsorganisatie van de jaren vijftig. Zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Meer productie bleef decennialang het doel van beleid, onderzoek en voorlichting. Zie Ruilverkaveling en De trekker en de boerenexodus.
- Na de oorlog kwam de invoer van veevoer terug, groter dan ooit. Zie Het gat van Rotterdam.
- Het idee dat een hectare meer mensen voedt als mensen de gewassen zelf eten, speelt opnieuw in de De eiwittransitie. Toen was het een noodmaatregel van de overheid. Nu gaat het om klimaat, biodiversiteit en gezondheid, en ligt de keuze veel meer bij consumenten en bedrijven.
- In debatten over voedselzekerheid wordt de oorlog nog vaak aangehaald. Zie Wereldmarkt of zelfvoorziening?.
- In de Dutch Famine Birth Cohort Study volgen onderzoekers de gezondheid van mensen die tijdens de Hongerwinter in de baarmoeder zaten.21
Vier perspectieven
De boer
Boeren kregen opdrachten: grasland scheuren, dieren wegdoen, oogst leveren tegen vaste prijzen. Wie zijn varkens en kippen moest opgeven, verloor een deel van zijn inkomen en zijn werk van jaren. Tegelijk had de boer wat de stad miste: eten. In de Hongerwinter stonden dagelijks hongerige mensen aan de deur. Veel boeren hielpen, anderen vroegen hoge prijzen. De herinneringen verschillen per streek en per familie.
De stedeling
Voor de stedeling draaide alles om de bonkaart. Wat je kreeg, hing af van de rantsoenen en van wat er in de winkel lag. In het westen werd dat in de laatste oorlogswinter levensgevaarlijk weinig. Wie iets te ruilen had, trok naar het platteland. Wie niets had, was aangewezen op de centrale keuken.
De overheid
Louwes en zijn rijksbureau maakten een plan voor een land zonder invoer: meer gewassen voor mensen, minder voer voor dieren. Daarvoor moest de overheid tot op het erf meekijken. Het rijksbureau werkte onder de bezetter, en dat bleef na de oorlog een punt van discussie. Toch lukte het tot de herfst van 1944 om ernstige honger te voorkomen.
De Amerikaan
Voor de Verenigde Staten was Marshallhulp ook politiek. Een welvarend West-Europa zou minder vatbaar zijn voor het communisme. Amerikaanse boerderijen lieten bezoekers zien hoe met trekkers en kunstmest veel geproduceerd kon worden. Of dat model paste bij de kleine Nederlandse gemengde bedrijven, was een open vraag.
De boer
Boeren kregen opdrachten: grasland scheuren, dieren wegdoen, oogst leveren tegen vaste prijzen. Wie zijn varkens en kippen moest opgeven, verloor een deel van zijn inkomen en het werk van jaren. Tegelijk had de boer wat de stad miste: eten. In de Hongerwinter stonden dagelijks hongerige mensen aan de deur. Veel boeren hielpen, anderen vroegen hoge prijzen. De herinneringen verschillen per streek en per familie, en het beeld van de boer in de oorlog is daardoor tot vandaag gemengd.
De stedeling
Voor de stedeling draaide alles om de bonkaart. Wat je kreeg, hing af van de rantsoenen en van wat er in de winkel lag. Het eten was eentoniger dan voor de oorlog, met meer aardappelen en brood en minder vlees en vet. In het westen werd het in de laatste oorlogswinter levensgevaarlijk weinig. Wie iets te ruilen had, trok naar het platteland. Wie niets had, was aangewezen op de centrale keuken.
De overheid
Louwes en zijn rijksbureau maakten een plan voor een land zonder invoer: meer gewassen voor mensen, minder voer voor dieren. Daarvoor moest de overheid tot op het erf meekijken, met de administratie uit de crisisjaren als basis. Het rijksbureau werkte onder de bezetter, en dat bleef na de oorlog een punt van discussie. Toch lukte het tot de herfst van 1944 om ernstige honger te voorkomen.
De Amerikaan
Voor de Verenigde Staten was Marshallhulp ook politiek. Een welvarend West-Europa zou minder vatbaar zijn voor het communisme. Amerikaanse boerderijen lieten bezoekers zien hoe met trekkers en kunstmest veel kon worden geproduceerd met weinig arbeid. Of dat model paste bij de kleine Nederlandse gemengde bedrijven, was een open vraag.
- Suiker was op 14 oktober 1939 het eerste product dat op de bon ging, al voordat Nederland bij de oorlog betrokken raakte.3
- In april 1945 bereidden de centrale keukens in West-Nederland zo'n 1,8 miljoen warme maaltijden per dag.2
- In de bezettingsjaren tot september 1944 werd de opbrengst van ongeveer 60 procent van het Nederlandse cultuurland gedwongen uitgevoerd of aan de Duitse troepen geleverd, volgens een berekening van het ministerie uit 1946.22
- Louwes werd in 1945 speciaal adviseur van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO).2
In de oorlog stuurde de overheid de landbouw om: minder dieren, meer gewassen voor mensen. Wanneer mag een overheid zo diep ingrijpen in wat boeren telen?
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 156. ↩
- I. de Zwarte, 'Honger lang met succes bestreden', Binnenlands Bestuur (20 maart 2020), link. ↩
- M.J.L. Dols en D.J.A.M. van Arcken, 'Food supply and nutrition in the Netherlands during and immediately after World War II', The Milbank Memorial Fund Quarterly 24 (1946), nr. 4, p. 339, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 212. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 202. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 214. ↩
- M.J.L. Dols en D.J.A.M. van Arcken, 'Food supply and nutrition in the Netherlands during and immediately after World War II', The Milbank Memorial Fund Quarterly 24 (1946), nr. 4, p. 324, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 179. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 158. ↩
- M.J.L. Dols en D.J.A.M. van Arcken, 'Food supply and nutrition in the Netherlands during and immediately after World War II', The Milbank Memorial Fund Quarterly 24 (1946), nr. 4, p. 343–344, link. ↩
- Wikipedia (en), 'Dutch famine of 1944–1945' (geraadpleegd 2026), op basis van o.a. I. de Zwarte, The Hunger Winter (2020), link. ↩
- NOS, 'Slachtoffers Hongerwinter in kaart gebracht' (30 januari 2015), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Hongerwinter' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Sicco Mansholt' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 239. ↩
- Wikipedia (nl), 'Marshallplan' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 255. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 241. ↩
- E. Bloemen, 'Assistance technique et productivité aux Pays-Bas, 1945–1952', in Le Plan Marshall et le relèvement économique de l'Europe (IGPDE, OpenEdition), p. 503–513, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 316. ↩
- T.J. Roseboom, Prenatal exposure to the Dutch famine and health in later life (proefschrift Universiteit van Amsterdam, 2000), link. ↩
- M.J.L. Dols en D.J.A.M. van Arcken, 'Food supply and nutrition in the Netherlands during and immediately after World War II', The Milbank Memorial Fund Quarterly 24 (1946), nr. 4, p. 323, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 271.
Verder lezen
- G.M.T. Trienekens, Tussen ons volk en de honger. De voedselvoorziening 1940–1945 (1985).
- H.A.M. Klemann, Nederland 1938–1948. Economie en samenleving in jaren van oorlog en bezetting (2002).
- I. de Zwarte, De hongerwinter (2019).
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).