In dit schilderij
- Een zieke koe in het stro: het slachtoffer van de ziekte.
- De boer en de boerin, machteloos bij hun vee.
- Een plakkaat op de staldeur: de overheid grijpt in.
- Lege weilanden: wat er overblijft na de sterfte.
- De kerktoren: waar men troost en verklaring zocht.
De runderpest
In de achttiende eeuw trok de runderpest in golven door Europa. In de Republiek stierven honderdduizenden runderen. Boeren stonden machteloos, en overheden en geleerden zochten naarstig naar maatregelen. Zo werd de runderpest het begin van de diergeneeskunde en van overheidsbemoeienis met dierziekten.
In de achttiende eeuw trok de runderpest in golven door Europa. In de Republiek stierven honderdduizenden runderen, midden in een lange landbouwcrisis. Boeren stonden machteloos, en overheden en geleerden zochten naarstig naar maatregelen. Zo werd de runderpest het begin van de diergeneeskunde en van overheidsbemoeienis met dierziekten.
Een ziekte uit het oosten
Runderpest is een zeer besmettelijke virusziekte bij runderen. Ze kwam waarschijnlijk uit Oost-Europa en Azië en verspreidde zich via de veehandel en legers. Zieke dieren kregen koorts, diarree en zweren in de bek. In een kudde die de ziekte nog niet kende, stierf bijna elk dier.1
De runderpest trof de Republiek in drie golven: in 1713–1720, 1744–1765 en 1768–1786. In de meeste veeteeltgebieden stierf driekwart of meer van de veestapel. In Friesland stierven tussen november 1744 en augustus 1745 zo'n 135.000 runderen, terwijl de provincie er in die tijd ongeveer 160.000 telde.2 In Holland gingen tussen 1769 en 1784 ruim 400.000 runderen dood.3
De Republiek was een knooppunt van de veehandel. Hollandse melkveehouders fokten zelf weinig jongvee op. Ze kochten vaarzen en jonge koeien in Friesland en Groningen, en vetweiders haalden ossen uit Denemarken en Noord-Duitsland.4 Met het vee reisde de ziekte mee.
Machteloze boeren
Voor een veehouder betekende de runderpest vaak het verlies van een groot deel van de veestapel. Daarmee verdween ook het inkomen uit melk, boter en kaas. Sommige boeren raakten hun bedrijf kwijt. Wie zijn stal opnieuw wilde vullen, moest vee kopen, met het risico dat de ziekte opnieuw binnenkwam.
De ziekte kwam op het slechtste moment: midden in een lange crisis met lage prijzen, toen boeren nauwelijks geld hadden om nieuw vee te kopen. Toch herstelden ze hun veestapel verrassend snel.3
Over de oorzaak bestond geen duidelijkheid. Veel mensen zagen de ziekte als een straf van God. Er werden biddagen gehouden. Anderen wezen op slechte lucht, slecht voer of het weer. Dat een ziekte van dier op dier overging door contact, was nog een omstreden idee.
Wat de overheid deed
De gewesten van de Republiek grepen in, maar elk op eigen wijze. Ze vaardigden plakkaten uit: regels die de handel in vee beperkten, zieke dieren moesten melden of kadavers moesten begraven. Soms mochten runderen niet over de grens van een gewest. De naleving was lastig, en de regels verschilden per gewest.
Elders in Europa koos men soms voor harde maatregelen. De pauselijke lijfarts Giovanni Maria Lancisi raadde aan om alle zieke en verdachte dieren te doden.1 Dit afmaken, later stamping out genoemd, werd vanaf 1719 met succes toegepast.5 In de Oostenrijkse Nederlanden koos het bestuur in 1769–1785 ook voor het afmaken van besmet vee. De decentrale Republiek deed dat niet.6
Historici zijn het niet eens over wat dat verschil uitmaakte. Lang gold het afmaken als de verklaring voor de lagere sterfte in Vlaanderen. Recent onderzoek wijst vooral op iets anders: in Holland werd veel meer vee gehouden voor de markt en verplaatst voor weidegang en handel. Dat gaf de ziekte meer kansen.6
Proeven met inenting
Geleerden zochten naar oplossingen. De Groningse hoogleraar Petrus Camper hield in 1769 lessen over de veesterfte.7 Hij gold als deskundige en werkte samen met zijn collega Wouter van Doeveren.8 Bij inenting werden gezonde dieren met een kleine hoeveelheid besmet materiaal in aanraking gebracht, in de hoop dat ze een milde vorm kregen en daarna beschermd waren.
De boer, veehandelaar en herbergier Geert Reinders (1737–1815) uit het Groningse Bedum deed proeven met zijn eigen vee. Hij zag dat kalveren van koeien die de ziekte hadden overleefd, de eerste tijd beschermd waren. In 1774 meldde hij zijn vondst in een brief aan stadhouder Willem V. Hij geldt als een van de grondleggers van de immunologie in Nederland.9 Toch bleef inenting met de kennis van toen weinig succesvol.5
Na de achttiende eeuw
In 1798 trok een nieuwe golf door Europa, maar die bereikte Nederland niet.2 In juli 1865 kwam de ziekte toch terug, met besmette ossen uit Engeland die in Rotterdam aan land waren gebracht. Tot december 1867 raakte in Utrecht en Holland 57 procent van de ongeveer 250.000 runderen besmet. Van hen stierf 30 procent, en nog eens 9 procent werd afgemaakt.3 Deze keer trad de overheid wel centraal op. In 1870 kwam er een wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht, die de bestrijding van besmettelijke veeziekten een zaak van het Rijk maakte.10
Een ziekte uit het oosten
Runderpest is een zeer besmettelijke virusziekte bij runderen. Ze kwam waarschijnlijk uit Oost-Europa en Azië en verspreidde zich via de veehandel en legers. Zieke dieren kregen koorts, diarree en zweren in de bek. In een kudde die de ziekte nog niet kende, stierf bijna elk dier.1 Bieleman rekent de runderpest tot de rampzaligste gebeurtenissen uit de landbouwgeschiedenis.14
De runderpest trof de Republiek in drie golven: in 1713–1720, 1744–1765 en 1768–1786. In de meeste veeteeltgebieden stierf driekwart of meer van de veestapel, en het kwam voor dat een boer zijn hele veestapel meermaals achter elkaar verloor. In Friesland stierven tussen december 1713 en februari 1715 al 66.000 runderen. De tweede golf was nog erger: tussen november 1744 en augustus 1745 stierven er zo'n 135.000, terwijl de provincie er in die tijd ongeveer 160.000 telde. In de grietenij Hemelumer Oldeferd bleven van de 2.844 runderen er maar twintig gezond.2 In het Noorderkwartier stierf in 1744–1745 zo'n 70 procent van de dieren. In Holland gingen tussen 1769 en 1784 ruim 400.000 runderen dood.3
De Republiek was een knooppunt van de veehandel. Hollandse melkveehouders fokten zelf weinig jongvee op. Ze kochten vaarzen en jonge koeien in Friesland en Groningen, en vetweiders haalden ossen uit Denemarken en Noord-Duitsland.4 Met het vee reisde de ziekte mee. Omgekeerd raakte de ziekte ook de handel: volgens Slicher van Bath maakte de runderpest van 1745 een eind aan de Deense ossenhandel.17
Machteloze boeren in een crisistijd
Voor een veehouder betekende de runderpest vaak het verlies van een groot deel van de veestapel. Daarmee verdween ook het inkomen uit melk, boter en kaas. Sommige boeren raakten hun bedrijf kwijt. Wie zijn stal opnieuw wilde vullen, moest vee kopen, met het risico dat de ziekte opnieuw binnenkwam. Ook gemengde bedrijven op de klei verloren veel vee, al troffen de verliezen de gespecialiseerde melkveehouders harder.14
De ziekte kwam op het slechtste moment. Het decennium 1744–1754 was het ergst, juist toen de lange crisis met lage prijzen op zijn diepst was en boeren nauwelijks geld hadden om nieuw vee te kopen. Toch herstelden ze hun veestapel verrassend snel.3 Volgens Slicher van Bath hielp daarbij mogelijk de prijsstijging die direct op de grote verliezen volgde.15
Over de oorzaak bestond geen duidelijkheid. Veel mensen zagen de ziekte als een straf van God. Er werden biddagen gehouden. Anderen wezen op slechte lucht, slecht voer of het weer. Dat een ziekte van dier op dier overging door contact, was nog een omstreden idee.
Wat de overheid deed
De gewesten van de Republiek grepen in, maar elk op eigen wijze. Ze vaardigden plakkaten uit: regels die de handel in vee beperkten, zieke dieren moesten melden of kadavers moesten begraven. Soms mochten runderen niet over de grens van een gewest. De naleving was lastig, en de regels verschilden per gewest. In heel Europa bleken zulke maatregelen weinig succes te hebben: de ziekte verspreidde zich van dorp tot dorp.15
Elders in Europa koos men soms voor harde maatregelen. De pauselijke lijfarts Giovanni Maria Lancisi raadde aan om alle zieke en verdachte dieren te doden.1 Dit afmaken, later stamping out genoemd, werd vanaf 1719 met succes toegepast.5 In de Oostenrijkse Nederlanden koos het bestuur in 1769–1785 ook voor het afmaken van besmet vee. De decentrale Republiek deed dat niet.6
Wat verklaart de verschillen?
Historici zijn het niet eens over wat dat verschil uitmaakte. Lang gold het afmaken als de verklaring voor de lagere sterfte in Vlaanderen. Recent onderzoek wijst vooral op iets anders: in Holland werd veel meer vee gehouden voor de markt en verplaatst voor weidegang en handel. Dat gaf de ziekte meer kansen.6
Slicher van Bath opperde al eerder een andere verklaring. In de jaren van de eerste twee golven brachten vee en zuivel verhoudingsgewijs veel op. Dat kan volgens hem hebben geleid tot een snelle groei van de veestapel, waardoor dieren met te weinig voer meer vatbaar werden. Hij noemde dat zelf een hypothese die nader onderzoek vroeg.15
Ook over de gevolgen op lange termijn wordt gediscussieerd. In Groningen werd tussen het eind van de achttiende eeuw en 1833 veel grasland omgeploegd tot akkerland. Sommige auteurs zagen daarin een gevolg van de veepest. Slicher van Bath wees dat af: eerdere, even zware golven hadden dat effect niet gehad, en de kuddes herstelden zich snel. Hij zag de hoge graanprijzen als de echte drijfveer.16 Voor de kaasmarkt van Gouda, waar de aanvoer na 1711 sterk daalde, wijst De Vries naast de veepest vooral op de turfwinning, die de zuivel in die streek terugdrong.18
Proeven met inenting
Geleerden zochten naar oplossingen. De Groningse hoogleraar Petrus Camper hield in 1769 lessen over de veesterfte.7 Hij gold als deskundige en werkte samen met zijn collega Wouter van Doeveren.8 Bij inenting werden gezonde dieren met een kleine hoeveelheid besmet materiaal in aanraking gebracht, in de hoop dat ze een milde vorm kregen en daarna beschermd waren.
De boer, veehandelaar en herbergier Geert Reinders (1737–1815) uit het Groningse Bedum deed proeven met zijn eigen vee. Hij zag dat kalveren van koeien die de ziekte hadden overleefd, de eerste tijd beschermd waren. In 1774 meldde hij zijn vondst in een brief aan stadhouder Willem V. Hij geldt als een van de grondleggers van de immunologie in Nederland.9 Toch bleef inenting met de kennis van toen weinig succesvol.5 De kennis kwam hier dus niet alleen van de universiteit, maar ook uit de stal.
Na de achttiende eeuw
In 1798 trok een nieuwe golf door Europa, maar die bereikte Nederland niet.2 In juli 1865 kwam de ziekte toch terug, met besmette ossen uit Engeland die in Rotterdam aan land waren gebracht. Tot december 1867 raakte in Utrecht en Holland 57 procent van de ongeveer 250.000 runderen besmet. Van hen stierf 30 procent, en nog eens 9 procent werd afgemaakt.3 Deze keer trad de overheid wel centraal op. In 1870 kwam er een wet op het veeartsenijkundig staatstoezicht, die de bestrijding van besmettelijke veeziekten een zaak van het Rijk maakte.10
- De runderpest gaf een impuls aan de diergeneeskunde. Rond 1761 begon in Frankrijk de eerste opleiding voor veeartsen ter wereld. In 1821 opende in Utrecht de Veeartsenijschool, de eerste in Nederland.11
- Overheidsmaatregelen bij dierziekten, zoals vervoersverboden en het afmaken van dieren, kregen hier hun eerste vorm. De wet van 1870 legde de bestrijding bij het Rijk.10 Zie Dierziekten: van ruimen tot zoönose.
- Inenting werd later een belangrijk middel tegen dierziekten. De vraag of je inent of ruimt, keert steeds terug.
- Het vervoer van levend vee over grote afstanden blijft een risico bij uitbraken. Dat bleek opnieuw bij mond-en-klauwzeer in 2001. Zie Dierziekten: van ruimen tot zoönose.
- In 2011 werd de runderpest wereldwijd uitgeroeid verklaard, als tweede besmettelijke ziekte na de pokken.12 Zie ook Dierziekten: van ruimen tot zoönose.
Vier perspectieven
De boer
Voor de boer was de runderpest een ramp die hij niet kon tegenhouden. Hij verloor zijn vee en zijn inkomen. Niemand kon hem vertellen waar de ziekte vandaan kwam of hoe hij haar buiten de stal hield. Regels van de overheid voelden soms als extra last, zeker als de buurman of het buurgewest ze niet naleefde. Maar ze boden ook kans op bescherming.
Het dier
Voor de koe was de ziekte een pijnlijke dood. Veel dieren stierven in de stal, en kadavers moesten worden opgeruimd. Het dier werd vooral gezien als bezit en bron van inkomen. Ook de proeven met inenting kostten dieren het leven, want niet elk ingeënt kalf overleefde. Over het lijden van het dier zelf werd nauwelijks gesproken.
De overheid
De gewesten probeerden met plakkaten de verspreiding te stoppen. Ze moesten balanceren tussen het beschermen van de veestapel en het belang van de veehandel, een grote bron van inkomsten. Een gezamenlijke aanpak voor de hele Republiek kwam moeilijk tot stand. Pas in de negentiende eeuw kreeg de rijksoverheid de bevoegdheid om in het hele land dezelfde regels op te leggen.
De wetenschapper
Voor geleerden als Camper was de runderpest een uitdaging om te begrijpen hoe ziekte werkt. Samen met boeren als Reinders zochten ze naar bescherming door inenting. De kennis kwam uit twee richtingen: uit de collegezaal en uit de stal. Hun werk hielp de diergeneeskunde op weg, ook al begreep niemand nog dat een virus de oorzaak was.
De boer
Voor de boer was de runderpest een ramp die hij niet kon tegenhouden. Hij verloor zijn vee en zijn inkomen, vaak in een tijd dat de prijzen al laag waren. Niemand kon hem vertellen waar de ziekte vandaan kwam of hoe hij haar buiten de stal hield. Regels van de overheid voelden soms als extra last, zeker als de buurman of het buurgewest ze niet naleefde. Maar ze boden ook kans op bescherming. Opvallend genoeg wisten veel boeren hun stal toch snel weer te vullen.
Het dier
Voor de koe was de ziekte een pijnlijke dood. Veel dieren stierven in de stal, en kadavers moesten worden opgeruimd. Het dier werd vooral gezien als bezit en bron van inkomen. Ook de proeven met inenting kostten dieren het leven, want niet elk ingeënt kalf overleefde. Waar later werd afgemaakt, stierven ook gezonde dieren om de ziekte te stoppen. Over het lijden van het dier zelf werd nauwelijks gesproken.
De overheid
De gewesten probeerden met plakkaten de verspreiding te stoppen. Ze moesten balanceren tussen het beschermen van de veestapel en het belang van de veehandel, een grote bron van inkomsten. Een gezamenlijke aanpak voor de hele Republiek kwam moeilijk tot stand. Pas in de negentiende eeuw kreeg de rijksoverheid de bevoegdheid om in het hele land dezelfde regels op te leggen.
De wetenschapper
Voor geleerden als Camper was de runderpest een uitdaging om te begrijpen hoe ziekte werkt. Samen met boeren als Reinders zochten ze naar bescherming door inenting. De kennis kwam uit twee richtingen: uit de collegezaal en uit de stal. Hun werk hielp de diergeneeskunde op weg, ook al begreep niemand nog dat een virus de oorzaak was. Historici debatteren nog steeds over de vraag welke maatregelen echt het verschil maakten.
- Het runderpestvirus is de naaste verwant van het mazelenvirus. Beide horen bij de morbillivirussen.1
- In juni 1867 meldde de Amerikaanse gezant in Den Haag aan zijn regering dat de runderpest vrijwel uit Holland was verdwenen. Hij wees op het snelle en strenge afmaken van vee rond elke uitbraak.13
- In de droogmakerij de Schermer stierven tussen 1744 en 1752 ongeveer 11.600 runderen: ruim twee en een half keer zoveel als er normaal stonden.3
- De Utrechtse Veeartsenijschool begon in Gildestein, een voormalige buitenplaats en katoenfabriek aan het eind van de Biltstraat.11
- Geert Reinders richtte in 1794 met zo'n twintig boeren een onderlinge verzekering op. Daaruit groeide later Univé.9
Bij de runderpest stonden boeren, overheid en wetenschap voor de vraag wat zwaarder weegt: de vrijheid van de boer of het bestrijden van een ziekte. Hoe maken we die afweging bij dierziekten nu?
- Wikipedia (en), 'Rinderpest' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 119. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 120. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 54–55. ↩
- P.A. Koolmees, 'From stable to table. The development of the meat industry in The Netherlands, 1850–1990', in Y. Segers, J. Bieleman en E. Buyst (red.), Exploring the Food Chain. Food Production and Food Processing in Western Europe, 1850–1990 (Turnhout 2009), p. 122. ↩
- F. van Roosbroeck en A. Sundberg, 'Culling the Herds? Regional Divergences in Rinderpest Mortality in Flanders and South Holland, 1769–1785', Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis 14 (2018), nr. 3, p. 31–55, link. ↩
- P. Camper, Lessen over de thans zweevende veesterfte (Leeuwarden 1769), beschrijving in de Short-Title Catalogue Netherlands, link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Petrus Camper' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Geert Reinders (1737-1815)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
- Wet van 20 Julij 1870, tot regeling van het veeartsenijkundig staatstoezigt en de veeartsenijkundige politie, uitgave met aantekeningen door I.N. Schuurman (Zwolle, tweede druk 1874), Universiteitsbibliotheek Utrecht, link. ↩
- Wikipedia (nl), 'Rijksveeartsenijschool' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- WOAH, 'Rinderpest' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Brief van gezant Ewing aan minister Seward, Den Haag, 30 juni 1867, Foreign Relations of the United States 1867, deel 1, nr. 364, link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 85.
- B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 298–299.
- B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 235.
- B.H. Slicher van Bath, The Agrarian History of Western Europe, A.D. 500–1850 (Londen 1963), p. 286.
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 159–160.
Verder lezen
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).