In dit schilderij
- Een stoomschip met graan uit Amerika: de oorzaak van de crisis.
- Het graanveld: de oogst brengt minder op dan hij kost.
- Landarbeiders vertrekken, naar de stad of naar Amerika.
- Een coöperatieve zuivelfabriek: de uitweg via vee en melk.
- De stad aan de horizon: goedkoop brood voor arbeiders.
De landbouwcrisis
Stoomschepen en spoorwegen brachten graan uit Amerika en Rusland naar Europa, goedkoper dan een Nederlandse boer het kon telen. De prijzen stortten in, en het platteland kwam in nood. Waar buurlanden hun boeren afschermden met invoerrechten, koos Nederland voor open grenzen, kennis en samenwerking. Die keuze bepaalt de Nederlandse landbouw tot vandaag.
Stoomschepen en spoorwegen brachten graan uit Amerika en Rusland naar Europa, goedkoper dan een Nederlandse boer het kon telen. De graanprijzen stortten in, en vooral de akkerbouw kwam in nood. Waar buurlanden hun boeren afschermden met invoerrechten, koos Nederland voor open grenzen, kennis en samenwerking. Historici debatteren nog over de vraag of de crisis een keerpunt was of vooral een versneller.
Graan van over zee
Rond 1880 veranderde de wereld voor de Nederlandse akkerbouwer. In de Verenigde Staten, Rusland en Argentinië werd graan veel goedkoper geteeld dan in Europa. Er was goedkoop land, en spoorwegen en stoomschepen maakten het vervoer steeds goedkoper.1
Europa werd overspoeld met graan dat goedkoper was dan een boer op de Groninger of Zeeuwse klei het kon telen. Vanaf het eind van de jaren zeventig zakten de graanprijzen diep weg.2 In Groningen daalde de tarweprijs in twintig jaar met 40 procent.3 Grond en pacht werden later en minder sterk goedkoper. Daardoor kregen pachters de hardste klap: hun opbrengst kelderde, terwijl hun pacht nog jaren hoog bleef.4
Akkerbouwers zagen hun inkomen verdampen, en pachters konden hun pacht niet meer opbrengen. Op het platteland was weer open werkloosheid, en de mechanisatie stagneerde.5 Toch trof deze crisis de arbeiders minder hard dan die van vóór 1850, omdat steden en industrie werk boden.6 Velen trokken naar de stad. Anderen vertrokken naar het buitenland; de crisis versnelde dat vertrek.4 Naar de Verenigde Staten gingen vooral boeren en landarbeiders, veel van hen uit Zeeland, Groningen en Friesland.7
Bescherming of vrijhandel?
Duitsland voerde in 1879 onder Bismarck invoerrechten op graan in. Grootgrondbezitters en industriëlen steunden dat samen. Frankrijk volgde.1,8 Nederland deed dat niet. De liberale regering wilde geen beschermende handelspolitiek.9
In plaats daarvan liet de regering een staatscommissie de toestand van de landbouw onderzoeken.10 Haar advies, in 1890: investeer in kennis. Er kwamen meer landbouwonderwijs, proefstations en rijkslandbouwleraren, die boeren in hun eigen streek op weg hielpen.9 Helemaal nieuw was dat niet: de voorstellen sloten aan bij wat de maatschappijen van landbouw zelf al deden.11 Zie Wageningen en de voorlichting.
Andere producten, nieuwe concurrentie
Boeren pasten zich aan en stemden hun bouwplan af op de prijzen.4 Niet iedereen leed even zwaar: de tuinbouw had het minst last van de crisis.3 Op de zandgronden waren veel boeren al eerder van graan overgestapt op boter en varkens.12 De varkensexport groeide door de crisis heen.13 Toen Duitsland en Engeland hun grens sloten voor levende varkens, gingen geslachte 'Londense biggen' naar Engeland.14 Via aankoopverenigingen kochten boeren steeds meer kunstmest en veevoer.2 Zie Kunstmest.
Ook de zuivel had het zwaar. In Oss maakten boterhandelaren margarine, een goedkope vervanger van boter.15 Sommigen mengden die door de boerenboter voor de export.16 Volgens de Landbouwcommissie schaadde dat de naam van Hollandse boter op de Londense markt.17 Denemarken won terrein met betere boter, en het Nederlandse aandeel op de Engelse markt zakte tot onder de tien procent.18 De Boterwet van 1889 moest het knoeien tegengaan.19
Samen sterker
Boeren sloegen de handen ineen. Ze richtten coöperatieve zuivelfabrieken op, te beginnen in het Friese Warga in 1886, en aankoopverenigingen voor kunstmest en veevoer.2 Later volgden coöperaties voor landbouwkrediet, de boerenleenbanken.9 Zie Coöperaties en boerenleenbanken. Ook organiseerden boeren zich om met één stem te spreken, in het Nederlandsch Landbouw-Comité.20 In Brabant volgde later een katholieke boerenbond. Vanaf het midden van de jaren negentig keerde het tij.2
Volgens landbouweconoom Krijn Poppe antwoordden boeren op deze crisis vooral met zelforganisatie. Die nieuwe vormen van samenwerken legden volgens hem de basis voor het voedselsysteem van nu.21
Keerpunt of versneller?
Was de crisis een keerpunt? Volgens Van Zanden niet: ze versnelde vooral wat al vóór 1880 was begonnen, en juist in deze jaren groeiden productie en productiviteit sneller dan ooit.22 Bieleman benadrukt dat er meer speelde dan goedkoop graan: vervoer werd wereldwijd goedkoper, en Europeanen gingen anders eten, met meer vlees, zuivel en groente.23 Nieuw was de open, marktgerichte houding van de Nederlandse boeren evenmin: die kenmerkte hen al sinds de late middeleeuwen.2 Al vroeg haalde Holland graan uit het Oostzeegebied, en exporteerde het boter en kaas. Zie De Hanze en de Oostzeehandel.
Graan van over zee
Rond 1880 veranderde de wereld voor de Nederlandse akkerbouwer ingrijpend. In de Verenigde Staten, Rusland en Argentinië werd graan veel goedkoper geteeld dan in Europa. Daar was land in overvloed, en spoorwegen en stoomschepen maakten het vervoer over grote afstanden steeds goedkoper.1
Europa werd overspoeld met graan dat goedkoper was dan een boer op de Groninger of Zeeuwse klei het kon telen. Vanaf het eind van de jaren zeventig zakten de graanprijzen diep weg.2 In Groningen daalde de tarweprijs in twintig jaar met 40 procent.3 Grond en pacht werden later en minder sterk goedkoper. Daardoor kregen pachters de hardste klap: hun opbrengst kelderde, terwijl hun pacht nog jaren hoog bleef.4
Niet iedereen leed even zwaar
De crisis was in de eerste plaats een akkerbouwcrisis; de tuinbouw had er het minst last van.3 Ook boter en kaas daalden in prijs, maar dat kwam grotendeels door concurrentie op de Engelse markt en door een goedkope vervanger: margarine. Gemengde bedrijven op het zand deden het dankzij hun varkens nog geruime tijd redelijk, en ook de akkerbouw in de Veenkoloniën hield stand. Dat blijkt uit de pachtprijzen: op het zand stegen die tot de Eerste Wereldoorlog flink, op de zeeklei nauwelijks.23
Veel zandboeren waren al tussen 1840 en 1880 van graan overgestapt op boter en varkens.12 De varkensexport groeide door de crisis heen, en goedkoop graan van over zee was voor hen ook goedkoop voer.13 Toen Duitsland en Engeland hun grens sloten voor levende varkens, gingen geslachte 'Londense biggen' naar Engeland.14 Hun inkomen daalde pas echt toen in de jaren tachtig de boterprijs onder druk kwam.27
Akkerbouwers zagen hun inkomen intussen verdampen. De mechanisatie, die in het derde kwart van de eeuw goed op gang was gekomen, stagneerde.5 Op het platteland was er weer open werkloosheid. Toch trof deze crisis de arbeiders minder hard dan die van vóór 1850: steden en industrie boden werk, en wie op het land overbodig werd, vond elders vrij gemakkelijk een baan.6,23 Velen trokken naar de groeiende steden; anderen vertrokken naar het buitenland.4 Naar de Verenigde Staten gingen vooral boeren en landarbeiders uit Zeeland, Groningen en Friesland.7
Bescherming of vrijhandel?
Duitsland voerde in 1879 onder Bismarck invoerrechten op graan in, gesteund door grootgrondbezitters en industriëlen samen.1 Frankrijk volgde met het hoge tarief-Méline.8 Zulk protectionisme, het beschermen van eigen producenten met heffingen op invoer, hield de binnenlandse graanprijs hoog. De liberale Nederlandse regering wilde geen beschermende handelspolitiek.9
Helemaal afzijdig bleef de staat echter niet. Een staatscommissie onderzocht de toestand van de landbouw.10 Haar advies, in 1890: investeer in kennis. Er kwamen meer landbouwonderwijs, proefstations en rijkslandbouwleraren.9 De voorstellen sloten aan bij wat de maatschappijen van landbouw zelf al deden.11 Toch noemt Van Zanden de crisis op dit punt een belangrijk keerpunt: vóór 1880 voerde de overheid een beleid van laissez-faire, van niet ingrijpen, en tijdens de crisis bleek dat ze niet langer volledig afzijdig kon blijven.28 Zie Wageningen en de voorlichting.
Aanpassen en samenwerken
Boeren stemden hun bouwplan af op de prijzen.4 Via aankoopverenigingen kochten ze steeds meer kunstmest en veevoer.2 Zie Kunstmest. De zuivel had het zwaar. Boterhandelaren in Oss maakten margarine, en sommigen mengden die door de boerenboter voor de export.15,16 Volgens de Landbouwcommissie schaadde dat de naam van Hollandse boter in Londen.17 Denemarken won terrein, en het Nederlandse aandeel op de Engelse botermarkt zakte tot onder de tien procent.18 De Boterwet van 1889 moest het knoeien tegengaan.19
Boeren richtten coöperatieve zuivelfabrieken op, te beginnen in het Friese Warga in 1886, en aankoopverenigingen.2 Later volgden de boerenleenbanken.9 Zie Coöperaties en boerenleenbanken. Ook hier werkte de crisis dubbel. Volgens Van Zanden maakte ze boeren bewuster van hun afhankelijkheid van handelaars en fabrikanten, wat de coöperaties op lange termijn versterkte. Op korte termijn remde ze die juist: boeren hadden geen kapitaal, leunden op krediet van de handelaar en durfden geen risico te nemen.27 Naast de economische samenwerking groeide de belangenbehartiging. In 1884 bundelden de provinciale maatschappijen van landbouw, vooral clubs van notabelen en grotere boeren, hun krachten in het Nederlandsch Landbouw-Comité.20,21 Later ontstonden langs de lijnen van de verzuiling ook katholieke en protestants-christelijke boerenbonden. Vanaf het midden van de jaren negentig keerde het tij.2
Keerpunt of versneller?
Lange tijd overheerste het beeld van boeren die vóór 1880 'slapend rijk' waren geworden en pas door de crisis wakker schrokken. Van Zanden noemt dat op zijn best eenzijdig. Volgens hem versnelde de crisis vooral wat al vóór 1880 was begonnen; juist in deze jaren groeiden productie en arbeidsproductiviteit, de opbrengst per werker, sneller dan ooit. Een keerpunt ziet hij wel voor de economie als geheel: de crisis maakte arbeid vrij voor de industrie.22
Bieleman legt de nadruk elders. Hij ziet geen tijdelijk probleem door een plotselinge stroom graan uit de Nieuwe Wereld, maar diepere, structurele veranderingen: een nieuwe geografie van het wereldvervoer, een herverdeling van de landbouwproductie over de wereld, en vooral een geleidelijke verschuiving in het dieet van Europeanen. Graan bleef blijvend goedkoop, zodat consumenten meer geld overhielden voor vlees, zuivel en ander luxer voedsel.23
Landbouweconoom Krijn Poppe kijkt naar de organisatie. Volgens hem antwoordden boeren op de crisis met zelforganisatie, en legde die golf van sociale vernieuwing, van coöperaties tot landbouworganisaties, de basis voor het huidige voedselsysteem.21
De visies sluiten elkaar niet uit: de een kijkt vooral naar de continuïteit binnen de landbouw, de ander naar de veranderende wereldmarkt eromheen, de derde naar de manier waarop boeren zich organiseerden. Nieuw was de open, marktgerichte houding van Nederlandse boeren evenmin: die kenmerkte hen al sinds de late middeleeuwen.2 Al vroeg haalde Holland graan uit het Oostzeegebied, en exporteerde het boter en kaas. Zie De Hanze en de Oostzeehandel.
- De driehoek van onderzoek, voorlichting en onderwijs werd de motor van de Nederlandse landbouw.9 Zie Wageningen en de voorlichting.
- Coöperaties bleven groot: van zuivel tot de bank die later Rabobank werd. Zie Coöperaties en boerenleenbanken.
- De keuze voor export en schaal legde de basis voor Nederland als een van de grootste landbouwexporteurs ter wereld; alleen de Verenigde Staten exporteren meer.25
- Goedkoop veevoer van over zee bleef een bouwsteen van de Nederlandse veehouderij. Na 1945 werd dat soja en tapioca via Rotterdam. Zie Het gat van Rotterdam.
- De vraag of de overheid boeren moet beschermen tegen de wereldmarkt keerde terug in de jaren dertig, en opnieuw in Europa. Zie De Landbouwcrisiswet en Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Sommigen spreken nu van een tweede landbouwcrisis. Toen was de bedreiging goedkoop graan van over zee. Nu gaat het om de ecologische grenzen, een samenleving die kritischer is op gewasbeschermingsmiddelen en mest, stijgende grondprijzen en kosten, en een verdienmodel dat onder druk staat in een wereldmarkt. Toen was het antwoord kennis en samenwerking. Welk antwoord past nu? Zie De PAS-uitspraak, Polarisatie en de stikstofimpasse en Van controle naar veerkracht.
Vier perspectieven
De akkerbouwer
Wie op de klei graan teelde, zag zijn inkomen verdampen terwijl de kosten bleven. Veel akkerbouwers vonden dat de overheid hen in de steek liet door de grenzen open te houden, en vroegen om invoerrechten zoals in Duitsland. Wie kon, stapte over op vee, zuivel of groenten. Voor pachters met een hoge pacht was dat vaak te laat.
De landarbeider
Voor wie geen eigen land had, betekende de crisis minder werk. De lonen daalden in de jaren tachtig iets, maar omdat brood goedkoper werd, gingen de meeste arbeiders er in koopkracht toch niet op achteruit. De dorsmachine nam het winterwerk over, het dorsen met de vlegel. Vertrekken, naar de stad of naar Amerika, was vaak de enige uitweg. Wie bleef, leefde in armoede. In deze jaren groeide ook de onvrede, en zochten arbeiders steun bij elkaar.
De staat
De liberale regering geloofde in vrijhandel. Bescherming zou het brood duurder maken en de vernieuwing remmen. Ze koos voor onderzoek, onderwijs en voorlichting, en liet de markt verder zijn werk doen. Ook de handelssteden hadden belang bij open grenzen. Steun voor de boer moest uit hemzelf komen, met hulp van kennis.
De stedeling
Voor arbeiders in de stad was goedkoop graan goed nieuws: brood werd betaalbaarder. Een groot deel van hun loon ging op aan eten, dus elke cent telde. Hun belang en dat van de boer liepen hier uiteen. Die spanning tussen goedkoop voedsel en een goed inkomen voor de boer komt steeds terug. In deze jaren groeide ook de kruidenier. In 1887 nam de 21-jarige Albert Heijn de kleine winkel van zijn vader in Oostzaan over. Hij brandde zelf koffie en venterde met een hondenkar. Uit die winkel groeide later Ahold, en de supermarkt werd een macht in de keten. Zie De boer en de supermarkt en Duur land, smalle marges.
De akkerbouwer
Wie op de klei graan teelde, zag zijn inkomen verdampen terwijl de kosten bleven. Veel akkerbouwers vonden dat de overheid hen in de steek liet door de grenzen open te houden, en vroegen om invoerrechten zoals in Duitsland. Zij wezen erop dat hun buren over de grens wel bescherming kregen. Wie kon, stapte over op vee, zuivel, suikerbieten of groenten. Voor pachters met een hoge pacht en weinig kapitaal kwam die omschakeling vaak te laat.
De landarbeider
Voor wie geen eigen land had, betekende de crisis minder werk. De lonen daalden in de jaren tachtig iets, maar omdat brood goedkoper werd, gingen de meeste arbeiders er in koopkracht toch niet op achteruit. De dorsmachine nam het winterwerk over, het dorsen met de vlegel. Vertrekken, naar de stad of naar Amerika, was vaak de enige uitweg; anders dan vóór 1850 waren er nu wel banen in de industrie. Wie bleef, leefde vaak in armoede. In deze jaren groeide ook de onvrede, en zochten arbeiders steun bij elkaar.
De staat
De liberale regering geloofde in vrijhandel. Bescherming zou het brood duurder maken en de vernieuwing remmen, en ook de handelssteden hadden belang bij open grenzen. Toch kon de staat niet langer helemaal afzijdig blijven. Ze koos voor onderzoek, onderwijs en voorlichting, en liet de markt verder zijn werk doen. Steun voor de boer moest uit hemzelf komen, met hulp van kennis. Daarmee legde de staat ook de basis voor een veel grotere rol in de twintigste eeuw.
De stedeling
Voor arbeiders in de stad was goedkoop graan goed nieuws: brood werd betaalbaarder. Een groot deel van hun loon ging op aan eten, dus elke cent telde, en wat ze overhielden, konden ze besteden aan vlees, boter of groente. Hun belang en dat van de akkerbouwer liepen hier uiteen. Die spanning tussen goedkoop voedsel en een redelijk inkomen voor de boer keert steeds terug. In deze jaren groeide ook de kruidenier. In 1887 nam de 21-jarige Albert Heijn de kleine winkel van zijn vader in Oostzaan over. Hij brandde zelf koffie en venterde met een hondenkar. Uit die winkel groeide later Ahold, en de supermarkt werd een macht in de keten. Zie De boer en de supermarkt en Duur land, smalle marges.
- Margarine is een Franse uitvinding. Keizer Napoleon III loofde kort voor de Frans-Duitse oorlog een prijs uit voor een goedkope, houdbare botervervanger, voor het leger en de armen. De chemicus Mège-Mouriès kreeg er in 1869 octrooi op.26 In 1871 nam de familie Jurgens uit Oss zijn methode over. Ook de familie Van den Bergh in Oss ging margarine maken; hun bedrijven gingen later op in Unilever.15
- De Nederlandse Boterwet van 1889 was deels gebaseerd op een Britse wet uit 1887, en die weer op een Deense wet uit 1885. De zuivellobby speelde er een grote rol bij.19
- De staatscommissie van 1886 werd geleid door C.J. Sickesz, voorzitter van de Geldersch-Overijsselsche Maatschappij van Landbouw en Kamerlid.10
- Tot 1879 kwam graan Duitsland zonder invoerrecht binnen. Daarna liep het invoerrecht op tarwe op van 10 mark per ton in 1880 tot 70 mark in 1913.1
Nederland koos in de crisis voor open grenzen en kennis in plaats van bescherming. Zou die keuze nu weer de juiste zijn?
- Deutsches Historisches Museum, LeMO, 'Schutzzölle' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, 'De Nederlandse landbouw in de twintigste eeuw', Historia Agriculturae 30 (2000), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 110. ↩
- Th. van Tijn, 'Tweemaal Friesland tijdens de agrarische depressie', Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 89 (1974), link. ↩
- J.F.W. Essenburg, Het loonbedrijf in Nederland (1961), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 108. ↩
- CBS, Tijdlijn migratie, 1849–2025, hoofdstuk 1849–1913 (2025), link. ↩
- V. Bignon en C. García-Peñalosa, The Toll of Tariffs: Protectionism, Education and Fertility in Late 19th Century France, Banque de France Working Paper 690 (geraadpleegd 2026), link. ↩
- W. Foorthuis, 'De ontwikkeling van het OVO-drieluik. Jakob Elema als change agent in Drenthe', WUR eDepot (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Parlement.com, 'Mr. C.J. Sickesz' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 161, 163–164. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 672–673. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 112. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 429–430. ↩
- Unilever, 'Our history and archives: 1800s' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J. Bieleman, 'The emergence of mechanised dairying in the northern Netherlands, and particularly in the provinces of Drenthe and Friesland', in Y. Segers, J. Bieleman en E. Buyst (red.), Exploring the Food Chain (2009), p. 26. ↩
- Tweede Kamer, 'Bepalingen ter voorkoming van bedrog in den boterhandel. Voorloopig verslag', Kamerstuk 1888–1889, nr. 63.8, link. ↩
- J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw (Wageningen 1987), p. 389. ↩
- Wikipedia, 'Boterwet' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- Nationaal Archief, Inventaris van het archief van het Koninklijk Nederlands Landbouwcomité, (1871) 1884–1953, toegang 2.19.120, link. ↩
- K. Poppe, 'Het voedselsysteem – 1850 tot heden', in D. Veerman en E. Gravesteijn (red.), Daarom zijn boeren boos (Prometheus, 2025), h. 8. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 107–108. ↩
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 155. ↩
- Van Gogh Museum, 'De aardappeleters' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- CBS en Wageningen Economic Research, De Nederlandse landbouwexport 2017 (2018), link. ↩
- Wikipedia, 'Hippolyte Mège-Mouriès' (geraadpleegd 2026), link. ↩
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 136–137.
- J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 143.
Verder lezen
- J.L. van Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw, 1800–1914 (1985).
- J.H. van Stuijvenberg, De landbouwdepressie 1878–1895 (1980).
- Landbouwcommissie, Uitkomsten van het onderzoek naar den toestand van den landbouw in Nederland (1890).