Landbouwcanon

In dit schilderij

  • De paarse heide met herder en kudde: een landschap van boeren gemaakt.
  • Arbeiders met schop en kruiwagen: werkverschaffing in de jaren dertig.
  • De trekker met de zware ploeg: de laatste ontginningen na de oorlog.
  • De nieuwe boerderij op het ontgonnen land.
  • Rijen jonge dennen op het arme zand.
Venster 21ca. 1890 – 1960Crisis en oorlogconcept

De heide-ontginning

Van woeste grond tot akker en bos

In de negentiende eeuw lag er in Nederland zo'n 600.000 hectare heide, ongeveer een zevende van het land. Anderhalve eeuw later was daar nog maar een fractie van over. De ontginning kwam in golven: al vóór de kunstmest werden lage gronden weiland, na 1890 kwamen kunstmest en de Heidemaatschappij, in de jaren dertig werkloze mannen in de werkverschaffing, en na de oorlog machines. Al rond 1905 kwam er tegenkracht van mensen die het landschap wilden beschermen. In 1961 besloot de regering de ontginning zo veel mogelijk te beperken.

In de negentiende eeuw lag er in Nederland zo'n 600.000 hectare heide, ongeveer een zevende van het land. Anderhalve eeuw later restte daarvan nog maar een fractie. De ontginning verliep in golven: eerst werden lage gronden weiland, na 1890 maakten kunstmest en de Heidemaatschappij grootschalige ontginning mogelijk, in de jaren dertig werkten werklozen in de werkverschaffing, en na de oorlog namen machines het over. Al rond 1905 groeide de tegenkracht van mensen die het landschap wilden beschermen, en in 1961 besloot de regering de omzetting van woeste grond in landbouwgrond tot het uiterste te beperken.

Heide is boerenland

Heide is geen wildernis. Ze is een van de oudste cultuurlandschappen van ons land, ontstaan als onderdeel van het landbouwsysteem.1 Zonder schapen en plaggen was er bos gegroeid. De heide leverde de mest voor de akkers. Zie Plaggen en potstal. Vaak was ze gezamenlijk bezit van de boeren in een marke.2 In Drenthe besloegen heide, veen en broek in 1832 nog twee derde van de provincie.3

In de negentiende eeuw werden de marken verdeeld.4 Voorstanders, vaak grootgrondbezitters, dachten dat ontginning dan vanzelf zou volgen. Ze zagen over het hoofd dat mest het echte knelpunt was. De Drentse gouverneur schreef in 1836 dat 'de graanbouw alhier geheel rust op schapenmest' en dus op de heide.5 Veel verdeelde grond bleef daarom nog decennia schapenweide.6 Wel werden al vóór de kunstmest lage broekgronden ontgonnen tot weiland.4

Kunstmest en de Heidemaatschappij

Zonder heide geen mest, en zonder mest geen akker. Kunstmest doorbrak die cirkel. Zie Kunstmest. Samen met prikkeldraad maakte die na 1890 de grote ontginning mogelijk.7 Rond 1910 werd per jaar zes keer zoveel grond ontgonnen als vijftien jaar eerder.8

In 1888 werd de Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht, om heide, duinen en andere woeste gronden te ontginnen. Ze gaf advies, kweekte plantgoed en voerde al snel zelf ontginningen uit.9 Ook de staat kocht heide om te bebossen, en in 1899 kwam Staatsbosbeheer.10 Rijkslandbouwleraren zoals Jacob Elema in Drenthe leerden boeren werken met kunstmest.11 Zie Wageningen en de voorlichting. Vanaf 1920 steunde het Rijk boerenzonen die een bedrijf op heidegrond wilden beginnen, vooral in de Peel. Zo ontstonden Ysselsteyn en Odiliapeel.12

Tegenkracht: landschap beschermen

Niet iedereen juichte. Rond 1900 groeide in de steden de belangstelling voor planten en dieren in het wild. De onderwijzers Eli Heimans en Jac. P. Thijsse namen daarin het voortouw.13 Toen het Naardermeer gedempt dreigde te worden met Amsterdams stadsafval, richtten zij in 1905 de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten op. Een jaar later kocht de vereniging het Naardermeer. Daarna volgden onder meer vennen bij Oisterwijk en een deel van het Dwingelderveld.14

Ook de staat deed mee. De Natuurschoonwet van 1928 gaf eigenaren van landgoederen een belastingvoordeel als ze het karakter van hun landgoed bewaarden. Wie het ook openstelde voor wandelaars, kreeg extra voordeel.15

Wat deze beschermers wilden bewaren, was vaak geen wildernis. De heide bijvoorbeeld was juist door eeuwen boerenwerk ontstaan.1 Zo kwamen twee kijken op hetzelfde land tegenover elkaar te staan: voor de ontginner was het woeste grond, voor de beschermer een landschap met eigen planten, vogels en stilte.

Wat de ene generatie woeste grond noemde, beschermde de volgende als kostbaar landschap. Beide keken naar dezelfde heide.Van woeste grond tot beschermd gebied

Werk voor werklozen

In de crisis van de jaren dertig kreeg ontginnen een tweede doel: werk. In de werkverschaffing kregen werkloze mannen iets meer dan de gewone steun, in ruil voor zwaar werk met schop en kruiwagen. Tienduizenden werkten onder toezicht van de Heidemaatschappij.16 Het Rijk betaalde de lonen; de Heidemaatschappij, de Grontmij en andere bureaus maakten de plannen.17 Sommige mannen woonden in kampen ver van huis.18 In de jaren tien werd vrijwel geen ontginning gesubsidieerd, in de jaren dertig bijna alles.19 In de oorlog ging het werk door. In 1942 hield de Heidemaatschappij ook toezicht op Joodse mannen in aparte werkkampen.16

Een nieuw landschap

Op de ontgonnen grond kwamen rechte wegen, blokvormige percelen en boerderijen op hun eigen land. In Drenthe ontstond het dorp Witteveen.17 Ook bestaande bedrijven groeiden.20 De eerste jaren op nieuwe grond waren mager. Op de armste grond kwamen bossen, vooral van grove den, in rechte vakken.21

Door de ontginning kon het aantal kleine bedrijven op het zand groeien; toen er in de jaren dertig weinig meer te ontginnen viel, bleken veel ervan te klein voor een goed inkomen.22 Zie De trekker en de boerenexodus.

Na de oorlog: de laatste heide

Na 1945 ging de ontginning door, nu vooral voor meer voedsel. Zie Oorlog en wederopbouw. Tussen 1890 en 1960 werd in totaal meer dan 400.000 hectare woeste grond landbouwgrond, het meest in de jaren dertig.19

Tegelijk werden de beschermers sterker. Steeds meer mensen zagen de heide als landschap met eigen schoonheid. In 1961 maakte de regering bekend dat ze de omzetting van woeste grond in landbouwgrond 'tot het uiterste' wilde beperken, mede voor landschap, planten en dieren en voor de recreatie.23 Daarmee kwam het einde van de grote ontginningen in zicht.24

Rond 2000 was er nog zo'n 43.000 hectare heide.1 Die blijft alleen paars als iemand maait, plagt of schapen laat grazen. Het is halfnatuur: een landschap dat door landbouw ontstond en nu als beschermd gebied wordt beheerd. Zie Natuur is mensenwerk.

Heide als onderdeel van het boerenbedrijf

Heide is geen ongerepte wildernis. Ze is een van de oudste cultuurlandschappen van ons land en ontstond als onderdeel van het landbouwsysteem.1 Zonder begrazing door schapen en het steken van plaggen was er bos gegroeid. De heide leverde de mest voor de akkers, zie Plaggen en potstal, en was vaak gezamenlijk bezit van de boeren in een marke.2 In Drenthe besloegen heide, veen en broek in 1832 nog twee derde van de provincie.3 Wat de ene generatie 'woeste grond' noemde, was voor de boer van toen dus geen braakliggend land, maar een onmisbaar deel van zijn bedrijf.

In de negentiende eeuw werden de marken verdeeld, vooral tussen 1840 en 1870.4 De voorstanders van verdeling, vaak notabelen en grootgrondbezitters, gingen ervan uit dat ontginning vanzelf zou volgen zodra de grond particulier eigendom was. Volgens landbouwhistoricus Jan Bieleman zagen zij daarbij het eigenlijke knelpunt over het hoofd: de mestvoorziening. Het verzet van de boeren was daarom niet alleen behoudzucht, maar vooral een gevolg van de grote betekenis die de heide in hun bedrijf nog had. Tussen de liberale theorie en de agrarische praktijk gaapte een diepe kloof.5 De Drentse gouverneur schreef in 1836 al dat 'de graanbouw alhier geheel rust op schapenmest', en dus op de heide.5 Veel verdeelde grond bleef daarom nog decennialang schapenweide.6

Toch werd er al vóór de kunstmest ontgonnen. Het ging vooral om lage broekgronden, die weiland werden; de stijgende winstgevendheid van de veehouderij maakte dat aantrekkelijk.4 Rond 1900 werd in Drenthe zelfs meer dalgrond in de Veenkoloniën ontgonnen dan heide.31

Kunstmest doorbreekt de kringloop

Zonder heide geen mest, en zonder mest geen akker: kunstmest doorbrak die vicieuze cirkel, zie Kunstmest. Samen met prikkeldraad, dat typerend werd voor het zandlandschap, maakte kunstmest na 1890 de grote ontginning mogelijk.7,20 Daarna verdwenen de schapen, tot dan toe de belangrijkste mestproducenten, vóór de jaren twintig vrijwel helemaal.32 De ontginning richtte zich eerst vooral op grasland op lage woeste grond, en versnelde sterk: rond 1910 werd per jaar ruim zes keer zoveel ontgonnen als in het midden van de jaren negentig.8

In 1888 werd de Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht, om heide, duinen en andere woeste gronden te ontginnen. Ze gaf advies, kweekte plantgoed en voerde al snel zelf ontginningen uit.9 De staat kocht heide bij Kootwijk om te bebossen, en in 1899 volgde de oprichting van Staatsbosbeheer, dat de eerste jaren werd geleid door de directeur van de Heidemaatschappij.10 Rijkslandbouwleraren zoals Jacob Elema in Drenthe leerden boeren werken met kunstmest, zie Wageningen en de voorlichting.11 Vanaf 1920 steunde het Rijk boerenzonen die een bedrijf op heidegrond wilden beginnen, vooral in de Peel. Zo ontstonden dorpen als Ysselsteyn en Odiliapeel.12

Tegenkracht rond 1905

Terwijl de ontginning op gang kwam, ontstond in de steden een beweging die met andere ogen naar de woeste grond keek. Rond de eeuwwisseling werden natuurhistorische verenigingen opgericht, aanvankelijk vooral een liefhebberij van welgestelden. Veldbiologie verbindt men vooral met de namen van de onderwijzers Eli Heimans en Jac. P. Thijsse.13 In 1905 richtten zij de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten op. De directe aanleiding was het plan om het Naardermeer te dempen met Amsterdams stadsafval. Een jaar later kocht de vereniging het meer. Daarna volgden onder meer de vennen bij Oisterwijk, voor het eerst met steun van publiek geld, en een deel van het Dwingelderveld.14

Ook de wetgever volgde. De Natuurschoonwet van 1928 gaf eigenaren van landgoederen met bossen of andere onbebouwde terreinen fiscale voordelen, op voorwaarde dat ze het karakter van het landgoed bewaarden. Wie het landgoed openstelde voor het publiek, kreeg een nog groter voordeel.15 Het beschermen van landschap verliep zo deels via particulier grondbezit.

Opvallend is wat er werd beschermd. Het ging zelden om ongerepte wildernis, maar meestal om heide, vennen, moerassen en landgoedbossen: woeste grond en cultuurlandschap. De heide was bovendien zelf een product van eeuwen landbouw.1 Ontginners en beschermers stonden dus tegenover elkaar, maar keken naar hetzelfde, door boeren gevormde land.

Ontginning als werkverschaffing

In de crisis van de jaren dertig kreeg ontginning een tweede, sociaal doel: werkgelegenheid. In de werkverschaffing kregen werkloze mannen iets meer dan de gewone steun, in ruil voor zwaar werk met schop en kruiwagen. Tienduizenden werkten onder toezicht van de Heidemaatschappij, de voornaamste particuliere uitvoerder.16 Het Rijk betaalde de lonen; de Heidemaatschappij, de Grontmij en andere bureaus maakten de plannen.17 Sommige mannen woonden in kampen ver van huis, zoals Kamp De Beetse bij Sellingen.18

In de jaren tien werd vrijwel geen ontginning gesubsidieerd, in de jaren dertig bijna alles.19 Ontginning was zo verschoven van particulier initiatief naar overheidsbeleid. In de oorlog ging het werk door. In 1942 hield de Heidemaatschappij ook toezicht op Joodse mannen in aparte werkkampen, een episode die de vraag oproept hoe ver de verantwoordelijkheid van een uitvoerende organisatie reikt.16

Een nieuw landschap

Op de ontgonnen grond kwamen rechte wegen, blokvormige percelen en boerderijen op hun eigen land; in Drenthe ontstond zo het dorp Witteveen.17 Ook bestaande bedrijven profiteerden: in 1947 bleek dat op de zandgronden ongeveer een derde van de grond na 1900 was ontgonnen.20 Rond 1940 bestond Drenthe voor meer dan twee derde uit cultuurland.7 De eerste jaren op nieuwe grond waren wel mager. Op de armste grond kwamen bossen, vooral van grove den, in strakke vakken.21

Door ontginning en kunstmest kon het aantal kleine bedrijven op het zand lang groeien; toen er in de jaren dertig weinig meer te ontginnen viel en de prijzen instortten, bleken veel ervan te klein om een gezin te onderhouden.22 Zie De trekker en de boerenexodus.

Na de oorlog: de omslag

Na 1945 ging de ontginning door, nu vooral om de voedselproductie te verhogen, zie Oorlog en wederopbouw. Tussen 1890 en 1960 werd in totaal meer dan 400.000 hectare woeste grond landbouwgrond, het meest in de jaren dertig.19

Tegelijk wonnen de beschermers terrein. In de troonrede van 1961 kondigde de regering aan dat ze de omzetting van woeste grond in landbouwgrond 'tot het uiterste' wilde beperken, mede met het oog op 'natuurbescherming en openluchtrecreatie'.23 Dat was geen totaal verbod, maar wel het einde van de ontginning als vanzelfsprekend doel van beleid.24

Rond 2000 was er nog zo'n 43.000 hectare heide over.1 Die blijft alleen paars als iemand maait, plagt of schapen laat grazen. Het is halfnatuur: een landschap dat door landbouw is ontstaan en nu als beschermd gebied wordt beheerd, zie Natuur is mensenwerk. Het beheer werkt met dezelfde middelen als het oude boerenbedrijf, maar met een ander doel.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De ontginner

Voor de ontginner was woeste grond verspild land. Nederland groeide en had voedsel en werk nodig. Met kunstmest, sloten en later machines kon arm zand een akker worden. Ingenieurs van de Heidemaatschappij zagen het als vooruitgang: een rechte weg, een nieuwe boerderij, een bos waar eerst stuifzand lag.

De keuterboer

Voor een kleine boer had de ontginning twee kanten. Met de verdeling van de marke verloor hij soms de heide waar zijn schapen graasden. Maar ontgonnen grond bood ook een kans op een eigen bedrijf. De eerste jaren waren mager. Met kunstmest en advies van de landbouwleraar gaf het zand toch een oogst.

De werkloze

Voor een werkloze man uit de stad was de werkverschaffing geen vrije keuze. Wie steun wilde, moest werken. Het werk was zwaar, met schop en kruiwagen in weer en wind, soms ver van huis. Het loon lag maar iets boven de steun. Toch gaf het sommigen ook houvast en een dagritme. Wat ze groeven, sloten en bossen, ligt er vaak nog steeds.

De landschapsbeschermer

Voor landschapsbeschermers was de heide geen woeste grond, maar een landschap met eigen planten, vogels en stilte. Thijsse liet in zijn boeken zien hoe rijk dat landschap was. Ze kochten gebieden op om ze te redden, met geld van leden en gemeenten. Voor hen ging met elke ontginning iets onherstelbaars verloren. Dat ze daarmee een boerenlandschap bewaarden, besefte niet iedereen.

De ontginner

Voor de ontginner was woeste grond verspild land. Nederland groeide snel en had voedsel en werk nodig. Met kunstmest, sloten, prikkeldraad en later machines kon arm zand een akker of weiland worden. Ingenieurs van de Heidemaatschappij zagen het als vooruitgang en als bewijs van wat techniek en planning vermochten: een rechte weg, een nieuwe boerderij, een bos waar eerst stuifzand lag. Dat de boeren zelf aarzelden, zagen sommige voorstanders als behoudzucht.

De keuterboer

Voor een kleine boer had de ontginning twee kanten. Met de verdeling van de marke verloor hij soms de heide waar zijn schapen graasden en waar hij plaggen stak voor de mest. Maar ontgonnen grond bood ook een kans op een eigen bedrijf of op uitbreiding van zijn bestaande land. De eerste jaren waren mager. Met kunstmest en het advies van de landbouwleraar gaf het zand toch een oogst, al bleef het bestaan kwetsbaar.

De werkloze

Voor een werkloze man uit de stad was de werkverschaffing geen vrije keuze: wie steun wilde, moest werken. Het werk was zwaar, met schop en kruiwagen in weer en wind, soms ver van huis in een kamp. Het loon lag maar iets boven de steun. Toch gaf het sommigen ook houvast, een dagritme en het gevoel iets nuttigs te doen. Wat ze groeven, sloten en plantten, ligt er vaak nog steeds.

De landschapsbeschermer

Voor landschapsbeschermers was de heide geen woeste grond, maar een landschap met eigen planten, vogels en stilte. Thijsse liet in zijn boeken zien hoe rijk dat landschap was. Ze kochten gebieden op om ze te behouden, met geld van leden en later ook van overheden. Voor hen ging met elke ontginning iets onherstelbaars verloren. Dat ze daarmee een door boeren gemaakt landschap bewaarden, dat zonder beheer zou dichtgroeien, besefte niet iedereen.

Trivia
Om over te praten

Wat in 1900 woeste grond heette, noemen we nu kostbaar landschap, met zeldzame planten en dieren. Wie bepaalt wat nuttig land is?

Bronnen
  1. C. van Swaay en M. Poot, 'Worden de vlinders op de hei steeds gewoner?', Vlinders 31 (2016), nr. 3, link. ↩
  2. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 38, link. ↩
  3. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 225. ↩
  4. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 38–39, link. ↩
  5. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 224–225. ↩
  6. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 135. ↩
  7. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 228. ↩
  8. J.L. van Zanden, The Transformation of European Agriculture in the Nineteenth Century: The Case of the Netherlands (Amsterdam 1994), p. 140. ↩
  9. Nationaal Archief, Inventaris van het fotoarchief van de Nederlandse Heidemaatschappij, 1915–1970, toegang 2.24.06.02 (2005), inleiding, link. ↩
  10. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 40–41, link. ↩
  11. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 623. ↩
  12. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 43, link. ↩
  13. H. Wijkhuisen, 'Honderd jaar veldbiologie. De KNNV jubileert', Duin 24 (2001), nr. 2, link. ↩
  14. Natuurmonumenten, 'Canon van Natuurmonumenten' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  15. Wet van 15 maart 1928, houdende regeling van sommige van landgoederen geheven belastingen tot bevordering van behoud van natuurschoon (Natuurschoonwet 1928), art. 1 en 7, link. ↩
  16. Radboud Universiteit, 'De geschiedenis van de Nederlandsche Heidemaatschappij in crisis- en oorlogstijd stelt uitvoeringsverantwoordelijkheid aan de orde' (2023), over L. Savenije, Werk in uitvoering (2023), link. ↩
  17. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 45, link. ↩
  18. Wikipedia (en), 'Sellingerbeetse' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  19. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 46, link. ↩
  20. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 210. ↩
  21. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 41, link. ↩
  22. Landbouw-Economisch Instituut, Afdeling Streekonderzoek, Rapporten ten behoeve van de Commissie van Advies inzake de uitgifte van domeingronden, rapport 235 (oktober 1955), hoofdstuk I, link. ↩
  23. Parlement.com, 'Troonrede 1961 (volledige tekst)' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  24. P.H.M. Thissen, 'De Nederlandse staat en heideontginning, 1795–1961', Tijdschrift voor Historische Geografie 9 (1991), nr. 2, p. 47 (Engelse samenvatting), link. ↩
  25. Arcadis, 'Onze geschiedenis' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  26. J. Kros e.a., Effecten van ammoniak op de Nederlandse natuur. Achtergrondrapport, Alterra-rapport 1698 (2008), p. 47, link. ↩
  27. J. van Mourik en B. Jansen, 'Enkdekken ontleed met biomarkers', Geografie 25 (2016), nr. 8, p. 31–32, link. ↩
  28. J. Bokdam, J.M. Gleichman en M. Batterink, 'Zwart-bont tussen groen en paars. Vier jaar begrazing met runderen op de Wolfhezerheide', Huid en Haar 5 (1986), nr. 4, link. ↩
  29. BNNVARA Vroege Vogels, 'Bos profiteert van crisis' (2009), link. ↩
  30. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 227. ↩
  31. J. Bieleman, Boeren op het Drentse zand 1600–1910. Een nieuwe visie op de 'oude' landbouw, A.A.G. Bijdragen 29 (Wageningen 1987), p. 229–230.
  32. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 209.

Verder lezen