Landbouwcanon

In dit schilderij

  • Een boterkarn: melk werd boter, beter te bewaren en te verkopen.
  • Kazen die rijpen op de plank, bestemd voor de stad.
  • Koeien in een natte wei, waar eerst graan stond.
  • Een sloot vol water: het land is lager komen te liggen.
  • Een windmolen die het water uit de polder maalt.
Venster 7ca. 1350 – 1500Ontginning en stadconcept

Van akker naar wei

Toen het graan verzoop

Het ontgonnen veen in Holland en Utrecht zakte door het droogleggen steeds verder. Tussen ongeveer 1350 en 1500 werd het land op veel plaatsen te nat voor graan. Boeren gingen over op koeien, boter en kaas, en het graan kwam voortaan per schip van elders. Daarmee ontstond het groene weidelandschap dat nu als typisch Hollands geldt.

Het ontgonnen veen in Holland en Utrecht zakte door het droogleggen steeds verder weg. Tussen ongeveer 1350 en 1500 werd het land op veel plaatsen te nat voor graan. Boeren schakelden over op koeien, boter en kaas, en het graan kwam in toenemende mate per schip van elders. Zo ontstond het groene weidelandschap dat nu als typisch Hollands geldt. Hoe snel en hoe ver die omslag ging, is onder historici omstreden.

Het land zakt weg

De middeleeuwse ontginners hadden het veen drooggelegd met sloten (zie De grote veenontginningen). Maar veen bestaat grotendeels uit water en plantenresten. Als het droogvalt, klinkt het in, zoals een spons die je uitknijpt. Daarnaast komt er lucht bij de plantenresten, en die verteren langzaam. Sinds de ontginning is het land meer dan twee meter gezakt. In het oosten van West-Friesland lag het rond 1350 zelfs ruim 3,5 meter hoger dan nu.1 Het lag steeds lager ten opzichte van de rivieren en de zee.

Water liep niet meer vanzelf weg. De akkers werden natter, en graan groeide er slecht. Vanaf de twaalfde eeuw kwamen er vaker overstromingen vanuit de Zuiderzee. Stormvloeden, zoals de Sint-Elisabethsvloed van 1421, waarbij de Grote of Zuid-Hollandse Waard verloren ging, lieten zien hoe kwetsbaar het lage land was geworden.2

Van graan naar gras

Boeren pasten zich aan. Gras groeit ook op natte grond, en koeien eten gras. Daarom schakelden ze op veel plekken om van akkerbouw naar veeteelt. Eerst moest het wintergraan wijken. Zomergraan, zoals gerst en haver, bleef nog een tijd belangrijk, haver onder meer voor de bierbrouwers in de steden.3 Van de melk maakten ze boter en kaas, die beter te bewaren en te vervoeren waren dan verse melk. Het hooi van de zomer hield de koeien in de winter op stal in leven.

De overgang ging niet in één keer. Ze verliep in de loop van ruim een eeuw, en per streek verschillend. Waar de grond hoger lag, bleef akkerbouw langer mogelijk. Historici spreken wel van een ecologische crisis: de oude manier van boeren werkte niet meer op deze bodem.

Rond 1500 was de veehouderij nog kleinschalig. Een veehouder in Holland had meestal niet meer dan tien tot twaalf runderen, gemiddeld vier tot zes. Toch ging in de vijftiende eeuw al veel boter en kaas naar Duitsland, Engeland, Frankrijk en Spanje.3

Het graan dat boeren zelf niet meer konden telen, kwam voortaan van elders, vanaf de late middeleeuwen steeds meer over de Oostzee naar Amsterdam.4 Zie De Hanze en de Oostzeehandel.

Het weidelandschap met koeien, sloten en molens dat nu als typisch Hollands geldt, is ontstaan doordat het land te nat werd voor graan.Een landschap als antwoord op een probleem

Molens en polders

Om het water kwijt te raken, bouwden boeren dijken en sluizen. Rond 1408 werd bij Alkmaar voor het eerst, voor zover bekend, een polder met windkracht bemalen.5 De nieuwe techniek verspreidde zich daarna snel. Een polder werd een eiland met een eigen waterpeil, dat de mens kunstmatig regelde. Daarvoor was samenwerking nodig in de waterschappen (zie Waterschappen).

Maar elke keer dat het water werd weggemalen, zakte het veen weer verder. Een molen kon het water bovendien maar een beperkte hoogte opvoeren. Hoe lager het land kwam te liggen, hoe meer molens er nodig waren. Bemaling loste het probleem op korte termijn op, en maakte het op lange termijn groter: elke peilverlaging liet de bodem onomkeerbaar verder dalen.1

Boeren voor de stad

Tegelijk groeiden de Hollandse steden snel. Leiden, Haarlem, Delft, Gouda en Amsterdam hadden behoefte aan boter, kaas, vlees en turf. Boeren gingen voor die markt produceren. Velen hadden er werk naast, bijvoorbeeld in de visserij, de turfwinning, het vervoer of de textiel.

Zo ontstond een platteland dat sterk op de markt was gericht. Volgens de historici Bas van Bavel en Jan Luiten van Zanden had Holland rond 1500 al trekken van een moderne economie. Zij wijzen op drie oorzaken: de steeds moeilijkere akkerbouw op het zakkende veen, hoge lonen in een jong ontgonnen gebied, en het ontbreken van feodale beperkingen op productie en handel.6 Historici zien hierin een van de wortels van de bloei van Holland in de zestiende en zeventiende eeuw.

Het land zakt weg

De middeleeuwse ontginners hadden het veen drooggelegd met sloten (zie De grote veenontginningen). Maar veen bestaat grotendeels uit water en plantenresten. Valt het droog, dan klinkt het in, zoals een spons die je uitknijpt. Daarnaast komt er lucht bij de plantenresten, die daardoor langzaam verteren. Sinds de ontginning is het land meer dan twee meter gezakt. In het oosten van West-Friesland lag het rond 1350 zelfs ruim 3,5 meter hoger dan nu.1 Het kwam steeds lager te liggen ten opzichte van de rivieren en de zee.

Water liep niet meer vanzelf weg. De akkers werden natter, en graan groeide er slecht. Vanaf de twaalfde eeuw kwamen er vaker overstromingen vanuit de Zuiderzee. Stormvloeden, zoals de Sint-Elisabethsvloed van 1421, waarbij de Grote of Zuid-Hollandse Waard verloren ging, lieten zien hoe kwetsbaar het lage land was geworden.2 Het Utrechtse Zegveld is een sprekend voorbeeld: het veen lag daar oorspronkelijk hoger dan het riviertje de Mije, maar zakte eronder. Overstroming in de winter werd er normaal, tot in 1491 een windmolen uitkomst bracht. Ook het turfsteken tastte het land aan: in zes van acht onderzochte veendorpen in Delfland daalde de belastbare waarde van de grond tussen 1344 en 1561 met minstens de helft.9

Van graan naar gras

Boeren pasten zich aan. Gras groeit ook op natte grond, en koeien eten gras. Daarom schakelden ze op veel plekken om van akkerbouw naar veeteelt. Eerst moest het wintergraan wijken. Zomergraan, zoals gerst en haver, bleef nog een tijd belangrijk, haver onder meer voor de bierbrouwers in de steden.3 Op smalle, met slootbagger opgehoogde akkerstroken van zo'n 1,2 tot 1,8 meter breed teelden boeren nog gerst, haver en boekweit.10 Van de melk maakten ze boter en kaas, die beter te bewaren en te vervoeren waren dan verse melk. Het hooi van de zomer hield de koeien 's winters op stal in leven.

Het graan dat boeren zelf niet meer konden telen, kwam voortaan van elders, vanaf de late middeleeuwen steeds meer over de Oostzee naar Amsterdam.4 Zie De Hanze en de Oostzeehandel.

De overgang verliep in de loop van ruim een eeuw, en per streek verschillend. Waar de grond hoger lag, bleef akkerbouw langer mogelijk. Historici spreken wel van een ecologische crisis: de oude manier van boeren werkte niet meer op deze bodem.

Rond 1500 was de veehouderij nog kleinschalig. Een veehouder in Holland had meestal niet meer dan tien tot twaalf runderen, gemiddeld vier tot zes. Toch ging in de vijftiende eeuw al veel boter en kaas naar Duitsland, Engeland, Frankrijk en Spanje.3

Molens en polders

Om het water kwijt te raken, bouwden boeren dijken en sluizen. Rond 1408 werd bij Alkmaar voor het eerst, voor zover bekend, een polder met windkracht bemalen.5 De Vries noemt 1414 als vroegste datum, en benadrukt dat windmolens rond 1500 nog geen gewoon beeld waren. Ze vergden een uitgebreid stelsel van afwatering en brachten soms ook niet genoeg: een molen bij Waddinxveen hield het land in de jaren 1490 alleen van half maart tot half oktober droog.9 Een polder werd een eiland met een eigen waterpeil, dat de mens kunstmatig regelde. Daarvoor was samenwerking nodig in de waterschappen (zie Waterschappen).

Maar elke keer dat het water werd weggemalen, zakte het veen verder. Een molen kon het water bovendien maar een beperkte hoogte opvoeren. Hoe lager het land kwam te liggen, hoe meer molens er nodig waren. Bemaling loste het probleem op korte termijn op en vergrootte het op lange termijn: elke peilverlaging liet de bodem onomkeerbaar verder dalen.1

Boeren voor de stad

Tegelijk groeiden de Hollandse steden snel. Leiden, Haarlem, Delft, Gouda en Amsterdam hadden behoefte aan boter, kaas, vlees en turf. Boeren gingen voor die markt produceren, en velen hadden er werk naast, bijvoorbeeld in de visserij, de turfwinning, het vervoer of de textiel.

Wanneer werd Holland modern?

Over het tempo van deze commercialisering verschillen historici van mening. Volgens Bas van Bavel en Jan Luiten van Zanden had Holland rond 1500 al trekken van een moderne economie. Zij wijzen op drie oorzaken: de steeds moeilijkere akkerbouw op het zakkende veen, hoge lonen in een jong ontgonnen gebied, en het ontbreken van feodale beperkingen op productie en handel.6

Jan de Vries legt de grote omslag later. Rond 1500 combineerden de meeste boerenhuishoudens volgens hem nog van alles: wat melkvee, turf steken, vervoer, vissen, spinnen en dijkwerk. Echte specialisatie en productie voor verre markten kenmerkten het platteland nog niet. Ook was het Oostzeegraan rond 1500 nog te bescheiden om meer dan een kleine minderheid te voeden; pas rond 1560 hing Holland er werkelijk van af.10 Bieleman laat zien dat de veestapels in de zestiende en zeventiende eeuw sterk groeiden, toen boter en kaas in Holland sneller duurder werden dan graan, tegen de Europese trend in.3 Beide visies zien in de zakkende bodem een beginpunt van een marktgerichte landbouw, die een van de wortels werd van de bloei van Holland in de zestiende en zeventiende eeuw.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer was de overstap naar vee een slimme aanpassing. Boter en kaas brachten in de stad goed geld op, en hij was vrij om te verkopen aan wie hij wilde. Maar hij moest steeds meer investeren in dijken en molens om zijn land droog te houden. Elk jaar betaalde hij mee aan het waterschap, en elk jaar lag zijn land iets lager.

De bodem

Elke keer dat het water werd weggemalen, kwam er lucht bij het veen en verteerde het verder. Wat begon als een oplossing, werd een spiraal die nu, eeuwen later, nog doorgaat. Het veen dat in duizenden jaren was gegroeid, verdween in enkele eeuwen. Wat ooit boven de rivieren lag, ligt nu op veel plaatsen onder zeeniveau.

Het waterschap

Het waterschap moest het peil bepalen en de molens laten draaien. Daarbij moest het kiezen tussen belangen: droog land voor de boer, veilige dijken voor iedereen. Met elke nieuwe molen werd het bestuur duurder en ingewikkelder. Die afweging is in de kern nog dezelfde: een lager peil helpt de boer nu, maar laat de bodem verder zakken.

De stedeling

De groeiende steden kregen boter, kaas en vlees van het platteland vlak bij huis. Hun vraag stuurde wat boeren gingen maken. Het graan voor hun brood en bier kwam van ver. Zo werd de stedeling afhankelijk van twee dingen tegelijk: de boer om de hoek en de oogst in het buitenland.

De boer

Voor de boer was de overstap naar vee een verstandige aanpassing. Boter en kaas brachten in de stad goed geld op, en hij was vrij om te verkopen aan wie hij wilde. Toch kon hij lange tijd niet van een paar koeien alleen leven, en combineerde hij veeteelt met ander werk. Bovendien moest hij steeds meer investeren in dijken en molens. Elk jaar betaalde hij mee aan het waterschap, en elk jaar lag zijn land iets lager.

De bodem

Elke keer dat het water werd weggemalen, kwam er lucht bij het veen en verteerde het verder. Wat begon als een oplossing, werd een spiraal die eeuwen later nog doorgaat. Het veen dat in duizenden jaren was gegroeid, verdween voor een groot deel in enkele eeuwen. Wat ooit boven de rivieren lag, ligt nu op veel plaatsen onder zeeniveau.

Het waterschap

Het waterschap moest het peil bepalen en de molens laten draaien. Daarbij moest het kiezen tussen belangen: droog land voor de boer, veilige dijken voor iedereen, en de lagere buren die het weggemalen water kregen. Met elke nieuwe molen werd het bestuur duurder en ingewikkelder. Die afweging is in de kern nog dezelfde: een lager peil helpt de boer nu, maar laat de bodem verder zakken.

De stedeling

De groeiende steden kregen boter, kaas en vlees van het platteland vlak bij huis. Hun vraag stuurde wat boeren gingen maken. Het graan voor hun brood en bier kwam steeds vaker van ver. Zo werd de stedeling afhankelijk van twee dingen tegelijk: de boer om de hoek en de oogst in het buitenland.

Trivia
Om over te praten

Boeren in Holland pasten zich eeuwen geleden aan een zakkende bodem aan door over te stappen op koeien. Moeten boeren in het veenweidegebied zich nu opnieuw aanpassen, en zo ja, hoe?

Bronnen
  1. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 42. ↩
  2. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 41. ↩
  3. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 49–51. ↩
  4. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 44. ↩
  5. Wikipedia, 'Poldermolen' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  6. B.J.P. van Bavel en J.L. van Zanden, 'The jump-start of the Holland economy during the late-medieval crisis, c.1350–c.1500', The Economic History Review 57 (2004) 3, 503–532, link. ↩
  7. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 54. ↩
  8. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 52. ↩
  9. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 30–32.
  10. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 71–72.

Verder lezen