Landbouwcanon

In dit schilderij

  • Het scheepsruim vol sojabonen: goedkoop krachtvoer uit het buitenland.
  • De slurf die de bonen opzuigt: de haven als poort naar Europa.
  • De silo's van de mengvoerfabriek: voer uit de fabriek in plaats van het eigen land.
  • De vrachtwagen: voer naar de boer, ver van de akker.
  • De lange varkensstal: intensieve veehouderij op de zandgronden.
Venster 28jaren 1960Moderniseringconcept

Het gat van Rotterdam

Krachtvoer van over zee

Vanaf de jaren zestig kwamen er via de haven van Rotterdam grote hoeveelheden soja en andere grondstoffen voor veevoer naar Nederland. Ze waren goedkoop, omdat er nauwelijks invoerrechten op zaten. Daarmee kon een boer veel meer dieren houden dan zijn eigen land kon voeden. Zo groeide in korte tijd een intensieve veehouderij, vooral op de zandgronden van het zuiden en oosten. Het voer kwam van ver, de mest bleef dichtbij.

Vanaf de jaren zestig kwamen via de haven van Rotterdam grote hoeveelheden soja, tapioca en andere grondstoffen voor veevoer naar Nederland. Ze waren goedkoop, omdat er nauwelijks invoerrechten op zaten, terwijl Europees graan door het landbouwbeleid duur bleef. Daarmee kon een boer veel meer dieren houden dan zijn eigen land kon voeden. Zo groeide in korte tijd een intensieve veehouderij, vooral op de zandgronden van het zuiden en oosten. Het voer kwam van ver, de mest bleef dichtbij.

Graan duur, soja goedkoop

Het Europese landbouwbeleid hield de prijs van graan hoog. Dat was goed voor akkerbouwers, maar duur voor wie vee voerde. Tegelijk sprak de Europese Economische Gemeenschap begin jaren zestig in handelsbesprekingen af dat sojabonen en oliekoeken zonder of met heel weinig invoerrecht binnen mochten.1

Het gevolg: krachtvoer op basis van soja was goedkoper dan voer van Europees graan. Rotterdam, met zijn grote haven en fabrieken, lag ideaal om die stroom op te vangen. Dit wordt wel het gat van Rotterdam genoemd: een gat in de muur rond de Europese landbouwmarkt. Nieuw was die handel niet. Nederland voerde al eeuwen graan in, zie De Hanze en de Oostzeehandel, en in de jaren dertig al veel maïs voor kippen en varkens.2 Nieuw was de schaal.

Een ruil? Drie verklaringen

Waarom kwam die opening er? Daarover bestaan verschillende verklaringen. Volgens de stukken van de GATT, de toenmalige wereldhandelsorganisatie, hoorden de nultarieven bij onderhandelingen over compensatie. De zes landen kregen één gemeenschappelijk buitentarief, en handelspartners als de Verenigde Staten hadden daarom recht op iets terug.1

Landbouwkundige Joris Relaes en historicus Yves Segers zien de afspraak vooral als een ruil: Europa kreeg bescherming voor suiker, zuivel en graan, en Amerika tolvrije soja.3

Landbouweconoom Krijn Poppe wijst ook op de lobby van de margarine-industrie voor onbelaste plantaardige olie en vet. En Washington zou met Mansholt (zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid) hebben geregeld dat maïsgluten vrij binnen mochten, een restproduct van de Amerikaanse maïssiroop. Een bron geeft Poppe daar niet bij.4 Wel staat vast dat maïsglutenvoer, net als soja, later onder een nultarief viel dat de VS niet wilden openbreken.5

Tapioca en de mengvoerfabriek

Soja leverde vooral eiwit. Voor energie zochten mengvoerfabrikanten ook goedkope vervangers van graan. De belangrijkste werd tapioca: gedroogde stukjes cassavewortel, vooral uit Thailand. Gemengd met sojaschroot kreeg je een voer dat voor een varken het graan kon vervangen, maar goedkoper was.6 Later kwamen er ook bijproducten bij, zoals maïsglutenvoer en citruspulp. Europa raakte daardoor zijn eigen graan moeilijker kwijt, en sprak met Thailand een 'vrijwillige' beperking af.6

Rond de havens en in de landbouwgebieden groeide een grote mengvoerindustrie. Fabrieken mengden soja, tapioca, granen en andere grondstoffen tot brokken. Veel van die fabrieken waren coöperaties van boeren zelf. Zie ook Coöperaties en boerenleenbanken. De fabrieken stemden hun recept af op de prijzen: was tapioca goedkoop, dan ging er meer tapioca in. De rogge, eeuwenlang het belangrijkste voergewas op het zand, verdween. Halverwege de jaren tachtig kwam meer dan twee derde van de grondstoffen van buiten de EEG.7

Een boer hoefde zijn veevoer nu niet meer zelf te verbouwen. Hij kocht het, in vrachtwagens vol. Daarmee werd het aantal dieren op een bedrijf los van het eigen land. Veevoerbedrijven boden jonge boerenzonen gunstige financiering voor een nieuwe varkensstal, in ruil voor een contract om hun voer af te nemen. Zo konden ze een varkensbedrijf beginnen zonder eigen land.7 De voorlichting en de banken moedigden die groei aan; zie De trekker en de boerenexodus.

Een varken in Brabant kon groeien op soja uit Amerika. De mest bleef in Brabant.De kringloop raakt los

De Peel en de zandgronden

Op de arme zandgronden in Brabant, Limburg, de Gelderse Vallei, de Achterhoek en Twente waren de bedrijven klein. Akkerbouw leverde daar weinig op. Varkens en kippen met gekocht voer boden een uitweg. Een boer kon in een paar stallen een goed inkomen verdienen, zonder veel extra grond.

In gebieden als de Peel groeide het aantal varkens en kippen enorm. Tussen 1950 en eind jaren negentig groeide de Nederlandse varkensstapel van bijna 2 miljoen tot ruim 15 miljoen dieren.8,9 Het zwaartepunt van de pluimveehouderij verschoof van de omgeving van Barneveld naar Zuidoost-Brabant en Midden-Limburg.10 Stallen werden groter en de dieren stonden binnen. Nederland werd een van de grootste exporteurs van varkensvlees en eieren ter wereld.

Mest en ver weg

Maar de mest van al die dieren bleef hier. Nog altijd komt via krachtvoer ruim twee keer zoveel stikstof de Nederlandse landbouw binnen als via kunstmest.11 Op de zandgronden kwam veel meer mest op het land dan de gewassen konden opnemen. Hoe groot de schade was, hing af van de bodem, het gewas en de manier van uitrijden. Droog zand laat stikstof veel sneller uitspoelen dan klei of veen. Op maïsland bleef meer achter dan op grasland, dat bijna het hele jaar groeit. Fosfaat hoopte zich jaar na jaar op in de bodem en lekt nog lang daarna naar sloten en beken. Zo ontstond in deze streken een mestprobleem, met vervuild grondwater en later problemen met ammoniak en stikstof. Zie Het mestprobleem en zure regen.

Ook ver weg waren er gevolgen. De vraag naar soja groeide wereldwijd. In Zuid-Amerika, vooral in Brazilië en Argentinië, werden grote stukken bos en savanne omgezet in sojavelden. Nederland is nog altijd de grootste invoerder van sojabonen in de EU.12 Ongeveer twee derde van de soja gaat weer door naar andere landen, vooral Duitsland en België.13

Een oude afhankelijkheid

Nederland voerde al eeuwen graan in, zie De Hanze en de Oostzeehandel. Ook de veehouderij leunde al lang voor de soja op voer van over zee. Rond 1913 was Nederland een van de grootste maïsimporteurs van Europa, vooral voor kippen en varkens.2 De bloeiende gemengde bedrijven op het zand waren dus al voor de Eerste Wereldoorlog afhankelijk van ingevoerd voer en kunstmest, en van buitenlandse markten voor hun producten. Die kwetsbaarheid werd pas zichtbaar toen de oorlog de aanvoer afsneed.2 Nieuw was na 1960 dus niet de handel, maar de schaal.

Graan duur, soja goedkoop: een ruil?

Het Europese landbouwbeleid hield de prijs van graan hoog. Dat was goed voor akkerbouwers, maar duur voor wie vee voerde. Tegelijk sprak de Europese Economische Gemeenschap begin jaren zestig in de handelsbesprekingen van de Dillon-ronde af dat sojabonen en oliekoeken zonder of met heel weinig invoerrecht binnen mochten.1

Waarom de EEG haar landbouwmarkt zo zorgvuldig afschermde en tegelijk een gat liet voor soja, wordt verschillend verklaard. De juridische lezing staat in de stukken van de GATT, de voorloper van de Wereldhandelsorganisatie. Toen de zes landen een gemeenschappelijk buitentarief invoerden, moesten bestaande tariefafspraken worden heronderhandeld, en handelspartners hadden recht op compensatie. In dat kader bond de EEG de rechten op sojabonen en oliekoeken op nul.1

Landbouwkundige Joris Relaes en historicus Yves Segers leggen de nadruk op de politieke ruil. De VS zagen met zorg hoe Europa zijn landbouw afschermde. Als tegenprestatie, zodat het beschermende landbouwbeleid van de grond kon komen, mocht soja zonder heffing binnen: tolvrije soja tegen bescherming van suiker, zuivel en graan. Destijds was dat volgens hen een logische economische afweging; de ecologische gevolgen kwamen pas later in beeld.3

Landbouweconoom Krijn Poppe wijst op nog twee drijvende krachten. De margarine-industrie zou erop hebben aangedrongen dat plantaardige olie en vet onbelast bleven. En Washington zou met Mansholt hebben geregeld dat maïsgluten, een restproduct van de Amerikaanse maïssiroop, zonder heffing de EEG in mocht. Poppe geeft daar geen bron bij, en die lezing is lastig te controleren.4 Vast staat wel dat maïsglutenvoer, net als soja, onder een in de GATT vastgelegd nultarief viel, dat de VS later niet wilden heronderhandelen.5 De verklaringen sluiten elkaar niet uit: juridisch was het een compensatie, politiek een ruil, en bedrijven en landen met belangen duwden mee.

Het gevolg: krachtvoer op basis van soja was goedkoper dan voer van Europees graan. Rotterdam, met zijn grote haven en fabrieken, lag ideaal om die stroom op te vangen. Dit wordt wel het gat van Rotterdam genoemd: een gat in de muur rond de Europese landbouwmarkt. De korte verbindingen tussen Rotterdam-Europoort en het achterland gaven Nederlandse varkenshouders een voorsprong op hun collega's elders in Europa.7

De mengvoerfabriek en het losse varken

Soja leverde vooral eiwit. Voor energie zochten mengvoerfabrikanten ook goedkope vervangers van graan. De belangrijkste werd tapioca: gedroogde stukjes cassavewortel, vooral uit Thailand. Gemengd met sojaschroot kreeg je een voer dat voor een varken het graan kon vervangen, maar goedkoper was.6 Later kwamen er ook bijproducten bij, zoals maïsglutenvoer en citruspulp. Europa raakte daardoor zijn eigen graan moeilijker kwijt, en sprak met Thailand een 'vrijwillige' beperking af.6

Rond de havens en in de landbouwgebieden groeide een grote mengvoerindustrie, vaak coöperatief. Zie ook Coöperaties en boerenleenbanken. De fabrieken stemden hun recept af op de prijzen: was tapioca goedkoop, dan ging er meer tapioca in. De rogge, eeuwenlang het belangrijkste voergewas op het zand, verdween. Halverwege de jaren tachtig kwam meer dan twee derde van de grondstoffen van buiten de EEG.7

Ook het denken veranderde. In 1953 moest een kippenstapel nog passen bij de grond van het bedrijf. Maar al in 1957 schreef de rijksvoorlichter in Overijssel dat varkens en kippen eigenlijk helemaal geen land nodig hadden, omdat ze op gekocht voer konden leven. In 1961 verdween de regel. Vanaf dat moment loste het gemengde bedrijf op in gespecialiseerde melkvee-, varkens- en pluimveebedrijven.15

Een boer hoefde zijn veevoer nu niet meer zelf te verbouwen. Daarmee werd het aantal dieren op een bedrijf los van het eigen land. Veevoerbedrijven boden jonge boerenzonen gunstige financiering voor een nieuwe varkensstal, in ruil voor een contract om hun voer af te nemen.7 Halverwege de jaren tachtig stond ruim een derde van alle varkens op bedrijven met minder dan vijf hectare grond. Deskundigen spraken van 'niet-grondgebonden landbouw'.16 De voorlichting en de banken moedigden die groei aan; zie De trekker en de boerenexodus.

De Peel en de zandgronden

Op de arme zandgronden in Brabant, Limburg, de Gelderse Vallei, de Achterhoek en Twente waren de bedrijven klein. Akkerbouw leverde daar weinig op. Varkens en kippen met gekocht voer boden een uitweg, zonder veel extra grond.

Tussen 1950 en eind jaren negentig groeide de Nederlandse varkensstapel van bijna 2 miljoen tot ruim 15 miljoen dieren.8,9 Vooral Brabant werd een echt varkensland.15 Halverwege de jaren tachtig draaide het grootste deel van de varkensvleesproductie op ingevoerd voer.7 Het zwaartepunt van de pluimveehouderij verschoof van de omgeving van Barneveld naar Zuidoost-Brabant en Midden-Limburg.10 Eind twintigste eeuw had Nederland de hoogste varkensdichtheid ter wereld.16 Het werd een van de grootste exporteurs van varkensvlees en eieren ter wereld.

Mest dichtbij, gevolgen ver weg

Maar de mest van al die dieren bleef hier. Nog altijd komt via krachtvoer ruim twee keer zoveel stikstof de Nederlandse landbouw binnen als via kunstmest.11 Lange tijd zagen deskundigen dat niet als probleem. 'Krachtvoer is kunstmest', was de gedachte: meer vee en meer krachtvoer zouden betekenen dat boeren minder kunstmest nodig hadden. In de praktijk steeg het gebruik van kunstmest gewoon mee met de varkensstapel. Er klonken wel vroege waarschuwingen, maar pas halverwege de jaren tachtig kwam de overheid met maatregelen.16 De boer volgde in die jaren het advies van voorlichting en voerleverancier, en daarin was mest geen probleem.

Op de zandgronden kwam veel meer mest op het land dan de gewassen konden opnemen. Hoe groot de schade was, hing af van de bodem, het gewas en de manier van uitrijden: het tijdstip, de techniek, de soort mest en de hoeveelheid. Droog zand laat stikstof veel sneller uitspoelen dan klei of veen. Op maïsland bleef meer achter dan op grasland, dat bijna het hele jaar groeit. Fosfaat hoopte zich jaar na jaar op in de bodem; op veel zandgronden raakte de bodem verzadigd, en dat fosfaat lekt nog lang daarna naar sloten en beken, waar het algengroei veroorzaakt. Ammoniak uit stallen en mest sloeg neer op heide en bossen en verzuurde daar de bodem. Zo ontstond in deze streken een mestprobleem. Zie Het mestprobleem en zure regen.

Ook ver weg waren er gevolgen. In Zuid-Amerika, vooral in Brazilië en Argentinië, werden grote stukken bos en savanne omgezet in sojavelden. Nederland is nog altijd de grootste invoerder van sojabonen in de EU.12 Ongeveer twee derde van de soja gaat weer door naar andere landen, vooral Duitsland en België.13

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor kleine boeren op de zandgronden was de varkens- of kippenstal een kans om te blijven bestaan. Ze werden ondernemers met een goed inkomen. De voorlichting, de bank en de voerleverancier wezen allemaal dezelfde kant op: groeien met gekocht voer. Dat de mest later een probleem zou worden, stond toen niet in hun adviezen. Later kregen ze te maken met strengere regels voor mest en uitstoot, vaak met schulden voor stallen die net waren gebouwd.

Planten en dieren

Te veel mest op het land leidde tot verzuring en vermesting van bodem, water en kwetsbare leefgebieden. Heide en vennen op de zandgronden, zelf ontstaan door eeuwen landbouw, raakten overwoekerd door gras. Fosfaat in de bodem blijft nog jaren naleveren aan het water. Ook in Zuid-Amerika verdwenen bos en savanne voor de teelt van soja. De gevolgen hier en daar zijn nauw met elkaar verbonden.

De industrie

Havenbedrijven, handelaren en mengvoerfabrikanten bouwden een sterke internationale sector op. Rotterdam werd een van de belangrijkste poorten voor veevoer in Europa. De sector leverde veel werk op, in de haven, de fabrieken en het transport. Ze wijzen er ook op dat ze werken aan duurzamere ketens, met gecertificeerde soja en meer reststromen uit de voedingsindustrie.

De consument

Vlees en eieren werden goedkoop en altijd beschikbaar. Vlees eten werd voor veel gezinnen dagelijks normaal. Wie vroeger vooral op zondag vlees at, kon dat nu elke dag. Pas later groeide de aandacht voor wat daar aan de andere kant van de wereld voor nodig was, en voor de stank en de mest dichter bij huis.

De boer

Voor kleine boeren op de zandgronden was de varkens- of kippenstal een kans om te blijven bestaan, en voor boerenzonen zonder eigen land een kans om te beginnen. Ze werden ondernemers met een goed inkomen. De voorlichting, de bank en de voerleverancier wezen allemaal dezelfde kant op: groeien met gekocht voer. Dat de mest later een probleem zou worden, stond toen niet in hun adviezen. Later kregen ze te maken met strengere regels voor mest en uitstoot, vaak met schulden voor stallen die net waren gebouwd.

Planten en dieren

Te veel mest op het land leidde tot verzuring en vermesting van bodem, water en kwetsbare leefgebieden. Heide en vennen op de zandgronden, zelf ontstaan door eeuwen landbouw met schapen en plaggen, raakten overwoekerd door gras. Fosfaat in de bodem blijft nog jaren naleveren aan het water. Ook in Zuid-Amerika verdwenen bos en savanne voor de teelt van soja. De gevolgen hier en daar zijn nauw met elkaar verbonden, via dezelfde handelsstroom.

De industrie

Havenbedrijven, handelaren en mengvoerfabrikanten bouwden een sterke internationale sector op. Rotterdam werd een van de belangrijkste poorten voor veevoer in Europa. De sector leverde veel werk op, in de haven, de fabrieken en het transport. Ze wijzen erop dat ze werken aan duurzamere ketens, met gecertificeerde soja en meer reststromen uit de voedingsindustrie.

De consument

Vlees en eieren werden goedkoop en altijd beschikbaar. Vlees eten werd voor veel gezinnen dagelijks normaal. Wie vroeger vooral op zondag vlees at, kon dat nu elke dag. Pas later groeide de aandacht voor wat daar aan de andere kant van de wereld voor nodig was, en voor de stank en de mest dichter bij huis. De vraag wie verantwoordelijk is, de producent of de consument die goedkoop koopt, is nog altijd onderwerp van debat.

Trivia
Om over te praten

Goedkoop voer van ver maakte de veehouderij groot en welvarend. Moet een boer zijn dieren weer voeren van eigen of nabije grond?

Bronnen
  1. GATT, European Economic Community – Payments and subsidies paid to processors and producers of oilseeds and related animal-feed proteins. Report of the Panel, L/6627 (14 december 1989), par. 10–11, link. ↩
  2. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 212. ↩
  3. J. Relaes en Y. Segers, 'Realiteitszin – van dingen die kwamen, gaan en nieuwe die komen', in D. Veerman en E. Gravesteijn (red.), Daarom zijn boeren boos (Prometheus, 2025), h. 3. ↩
  4. K. Poppe, 'Het voedselsysteem – 1850 tot heden', in D. Veerman en E. Gravesteijn (red.), Daarom zijn boeren boos (Prometheus, 2025), h. 8. ↩
  5. R. Dole, persbericht 'Change in import duty for corn gluten by EEC non-negotiable, says Dole' (12 april 1982), Robert J. Dole Archive, link. ↩
  6. J.F. Wood, 'Quality aspects of tradeable cassava products including problems of adulteration', in D. Machin en S. Nyvold (red.), Roots, tubers, plantains and bananas in animal feeding, FAO Animal Production and Health Paper 95 (FAO, Rome), link. ↩
  7. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 276. ↩
  8. Sterke Erven (Pigbusiness), 'Aantal varkens is sinds 1950 met factor 6,7 gestegen' (31 januari 2017), op basis van CBS-cijfers, link. ↩
  9. CBS, 'Varkensstapel voor het eerst in ruim 45 jaar onder de 10 miljoen' (2025), link. ↩
  10. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 281. ↩
  11. CBS, 'Toename stikstofoverschot in landbouw door droge zomer 2022' (30 januari 2024), link. ↩
  12. CBS, 'Meer sojabonen uit Brazilië in 2021 ondanks forse prijsstijging' (2022), link. ↩
  13. B. Kuepper (Profundo), Braziliaanse soja-import naar Nederland. Frequentie, patronen, gebruik, in opdracht van Greenpeace Nederland (mei 2022), link. ↩
  14. Etymologiebank, 'tapioca', o.a. uit N. van der Sijs, Etymologisch woordenboek (1997) (geraadpleegd 2026), link. ↩
  15. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 272.
  16. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 277.

Verder lezen