Landbouwcanon

In dit schilderij

  • Een Hanzekogge: graan en haring uit de Oostzee.
  • Sjouwers: dragen het graan naar de pakhuizen.
  • Boerinnen in hun schuitje: boter en kaas voor de stad.
  • Een stapel turf: brandstof voor huizen en brouwerijen.
  • Kerktoren en hijskraan: de rijke handelsstad.
Venster 8ca. 1250 – 1550Ontginning en stadconcept

De Hanze en de Oostzeehandel

Brood van ver, boter van dichtbij

Vanaf de dertiende eeuw voeren kooplieden uit de steden aan de IJssel en de Zuiderzee als lid van de Hanze naar de Oostzee. Ze haalden haring, graan en hout en brachten wijn, laken en zout. In de vijftiende eeuw namen Hollandse schippers die handel over. Vanaf het midden van de zestiende eeuw voedde graan uit Pruisen en Polen de groeiende Hollandse steden. Handel over grote afstand was dus al heel gewoon.

Vanaf de dertiende eeuw voeren kooplieden uit de steden aan de IJssel en de Zuiderzee als lid van de Hanze naar de Oostzee. Ze haalden haring, graan en hout en brachten wijn, laken en zout. In de vijftiende eeuw namen Hollandse schippers die handel over. Vanaf het midden van de zestiende eeuw voedde graan uit Pruisen en Polen de snel groeiende Hollandse steden. Dat goedkope graan maakte het mogelijk dat boeren in Holland zich toelegden op zuivel, vee en handelsgewassen. Voedselhandel over grote afstand is dus geen moderne uitvinding.

Een netwerk van kooplieden

De Hanze was geen land en geen leger. Het was een netwerk van Duitse kooplieden, met Lübeck als belangrijkste stad. Kooplieden sloten zich aaneen om hun handel te beschermen, en om samen voorrechten te krijgen in verre havens. Rond 1356 werd het verbond van kooplieden een verbond van steden.1

Ook steden in het oosten van ons land deden mee. Deventer was eind dertiende eeuw al een belangrijk lid.2 Kampen, Zwolle, Zutphen, Hasselt, Hattem, Doesburg, Elburg en Harderwijk hoorden er ook bij. Ze lagen aan de IJssel of de Zuiderzee, op de route tussen het Rijnland en de zee.1 Toen Amsterdam nog een klein vissersdorp was, waren dit al rijke handelssteden. Rond 1400 hoorde Kampen bij de grootste steden van de noordelijke Nederlanden.3

Haring, hout en ossen

Schepen uit Kampen voeren al in de dertiende eeuw om de noordpunt van Denemarken heen naar de Oostzee. In Schonen, toen Deens gebied, werd elk najaar massaal haring gevangen en gezouten. Kampen en Zutphen hadden er een eigen stuk strand om de vis te verwerken, een vitte. De schippers uit de IJsselsteden brachten onder meer zout en Rijnwijn naar de Oostzee.3 Uit de Oostzee kwamen graan, hout, bont en pek.4

Deventer werd beroemd om zijn jaarmarkten, vijf per jaar.4 Daar kwamen laken en zuivel uit Holland, vis uit Bergen in Noorwegen, en hout en landbouwproducten uit Westfalen en het Rijnland samen.2 Ook voor boeren uit Salland en de Achterhoek was zo'n markt een plek om hun producten te verkopen.

Vanaf het eind van de vijftiende eeuw dreven handelaren elk voorjaar slachtossen over land uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein naar de Nederlanden.5 Kampen, Zwolle en Hasselt hadden grond in de Mastenbroekerpolder, waar ze vee vetweidden.1

Steden vol monden

Intussen groeiden de steden van Holland snel. In Leiden, Haarlem, Delft en Gouda bloeiden het laken en vooral het bier. Een belastingonderzoek uit 1514, de Informacie, geeft voor Holland zo'n 254.000 inwoners. Ruim vier op de tien woonden in een stad, een hoog aandeel voor die tijd. Vóór de pest van 1348 was dat nog geen kwart.6 De historicus Jan de Vries telt met dezelfde bron 274.810 inwoners, de helft in een stad. Hij schat ontbrekende gebieden bij en rekent ook de Zaanstreek en stadjes als Weesp en Naarden tot de steden.7

Al die stedelingen kochten hun eten. Ze hadden graan nodig voor brood en voor bier, de dagelijkse drank. Halverwege de vijftiende eeuw telde Holland meer dan zevenhonderd brouwerijen.8 Het eigen platteland kon dat graan niet leveren: op de inklinkende veengrond lukte broodgraan steeds slechter (zie Van akker naar wei).6 Rond 1500 kwam het meeste graan nog uit de buurt, zoals uit IJsselmonde en het Utrechtse.9

Een mislukte oogst aan de Oostzee was in Holland te merken aan de prijs van brood. Een wereldwijd voedselsysteem bestond al lang voor de containerboot.Globalisering avant la lettre

Holland neemt het over

Holland hoorde niet bij de Hanze. Hollandse schippers voeren toch steeds vaker door de Sont naar de Oostzee, voor rogge en tarwe uit Pruisen en Polen. Lübeck en de andere Wendische steden zagen hen als concurrenten. Vanaf 1438 voerden Holland en deze Hanzesteden openlijk oorlog, vooral op zee. Pas in 1441 kwam er vrede, in Kopenhagen.10 De Hollanders hielden hun toegang tot de Oostzee.11

In 1497, het eerste jaar waarvan de Deense tolregisters bewaard zijn, kwamen al zo'n 570 van de bijna 800 schepen in de Sont uit de Nederlanden.12 Toch was de graanstroom uit de Oostzee nog bescheiden: minder dan 3.000 last in 1460 en zo'n 10.000 last rond 1500. Een last is ongeveer 2.000 kilo.13,9 Daarmee kon je hooguit een kleine minderheid van de bevolking voeden.14 De IJsselsteden raakten in de zestiende eeuw achterop. De IJssel verzandde, en grote schepen kwamen de steden moeilijker binnen.3

Brood van ver, boter van dichtbij

Amsterdam groeide uit tot de stapelplaats van het Oostzeegraan, vooral na 1540. Van daaruit ging het graan naar het Hollandse binnenland en verder Europa in.15 Pas rond 1560, toen de aanvoer vijf à zes keer zo groot was als in 1500, hing het noorden echt af van graan van ver.14 Tussen 1562 en 1599 ging er jaarlijks gemiddeld 50.000 last graan door de Sont, voor driekwart op Nederlandse schepen.16 Rond 1650 voedde buitenlands graan ruim de helft van het miljoen inwoners van Holland, Utrecht, Friesland en Groningen.17 Kooplieden noemden deze handel de moedernegotie: de moeder van alle handel.3,9

Omdat het brood van elders kwam, konden Hollandse boeren hun natte land als wei gebruiken. Ze hielden koeien en maakten boter en kaas. Ze teelden gewassen als hennep en staken turf voor de stedelijke haarden en brouwerijen. Veel boerengezinnen visten of voeren er ook bij.6 Door het Oostzeegraan bleef graan relatief goedkoop: tussen 1500 en 1650 werd rogge ruim vijf keer zo duur, boter ruim zeven keer.13 Het platteland draaide mee in een markt waarin geld steeds belangrijker werd.

Afhankelijk van de markt

Die specialisatie maakte Holland welvarend, maar ook kwetsbaar. Was de Sont dicht door oorlog of ijs, of mislukte de oogst aan de Oostzee, dan steeg de prijs van brood. In 1565 volgde op een strenge winter een sluiting van de Sont door de Deense koning. Pas eind juni ging de doorvaart weer open. Intussen was het graan in de Nederlanden flink duurder geworden. Stadsbesturen probeerden haastig graan in te slaan.18

Globalisering van het voedsel is dus niets nieuws. Al vijf eeuwen geleden hing het brood van een Hollandse ambachtsman af van een oogst in Polen, een schip in de Sont en een koopman in Amsterdam.

Een netwerk van kooplieden

De Hanze was geen staat en had geen eigen leger. Het was een netwerk van Duitse kooplieden, met Lübeck als belangrijkste stad. Kooplieden sloten zich aaneen om hun handel te beschermen en om samen voorrechten te verwerven in verre havens. Rond 1356 werd het verbond van kooplieden een verbond van steden.1

Ook steden in het oosten van ons land deden mee. Deventer was eind dertiende eeuw al een belangrijk lid.2 Kampen, Zwolle, Zutphen, Hasselt, Hattem, Doesburg, Elburg en Harderwijk hoorden er eveneens bij. Ze lagen aan de IJssel of de Zuiderzee, op de handelsroute tussen het Rijnland en de zee.1 Toen Amsterdam nog een bescheiden vissersplaats was, waren dit al welvarende handelssteden. Rond 1400 behoorde Kampen tot de grootste steden van de noordelijke Nederlanden.3

Haring, hout en ossen

Schepen uit Kampen voeren al in de dertiende eeuw om de noordpunt van Denemarken heen naar de Oostzee. In Schonen, toen Deens gebied, werd elk najaar op grote schaal haring gevangen en gezouten. Kampen en Zutphen hadden er een eigen stuk strand om de vis te verwerken, een vitte. De schippers uit de IJsselsteden brachten onder meer zout en Rijnwijn naar het noorden.3 Uit de Oostzee kwamen graan, hout, bont en pek.4

Deventer werd beroemd om zijn vijf jaarmarkten.4 Daar kwamen laken en zuivel uit Holland, vis uit Bergen in Noorwegen, en hout en landbouwproducten uit Westfalen en het Rijnland samen.2 Ook voor boeren uit Salland en de Achterhoek was zo'n markt een afzetkanaal voor hun producten. Zo was het platteland in het oosten al vroeg verbonden met handelsstromen die tot ver buiten de regio reikten.

Vanaf het eind van de vijftiende eeuw dreven handelaren elk voorjaar slachtossen over land uit Denemarken en Sleeswijk-Holstein naar de Nederlanden.5 Kampen, Zwolle en Hasselt bezaten grond in de Mastenbroekerpolder, waar ze vee vetweidden.1 Het mager aangevoerde vee werd hier dus pas slachtrijp gemaakt: een vroeg voorbeeld van een keten waarin elke regio een eigen schakel vormde.

Steden vol monden

Intussen groeiden de steden van Holland snel. In Leiden, Haarlem, Delft en Gouda bloeiden de lakennijverheid en vooral de bierbrouwerij. Een belastingonderzoek uit 1514, de Informacie, geeft voor Holland zo'n 254.000 inwoners. Ruim vier op de tien woonden in een stad, een uitzonderlijk hoog aandeel voor die tijd. Vóór de pest van 1348 was dat nog geen kwart.6 De historicus Jan de Vries komt met dezelfde bron op 274.810 inwoners, van wie de helft in een stad woonde. Hij schat ontbrekende gebieden bij en rekent ook de Zaanstreek en stadjes als Weesp en Naarden tot de steden.7 Het verschil laat zien hoeveel zulke getallen afhangen van de keuzes van de onderzoeker, maar beide schattingen wijzen op een sterk verstedelijkt gewest.

Al die stedelingen kochten hun eten. Ze hadden graan nodig voor brood en voor bier, de dagelijkse drank. Halverwege de vijftiende eeuw telde Holland meer dan zevenhonderd brouwerijen.8 Het eigen platteland kon dat graan niet leveren: op de inklinkende veengrond lukte broodgraan steeds slechter (zie Van akker naar wei).6 Rond 1500 kwam het meeste graan nog uit de buurt, zoals uit IJsselmonde en het Utrechtse.9

Holland neemt het over

Holland hoorde niet bij de Hanze. Toch voeren Hollandse schippers steeds vaker door de Sont naar de Oostzee, om rogge en tarwe te halen uit Pruisen en Polen. Lübeck en de andere Wendische steden zagen hen als concurrenten. Vanaf 1438 voerden Holland en deze Hanzesteden openlijk oorlog, vooral op zee. Pas in 1441 kwam er vrede, in Kopenhagen.10 De Hollanders behielden hun toegang tot de Oostzee.11

In 1497, het eerste jaar waarvan de Deense tolregisters bewaard zijn, kwamen al zo'n 570 van de bijna 800 schepen in de Sont uit de Nederlanden.12 Toch was de graanstroom uit de Oostzee nog bescheiden: minder dan 3.000 last in 1460 en zo'n 10.000 last rond 1500. Een last is ongeveer 2.000 kilo.13,9 Daarmee kon je hooguit een kleine minderheid van de bevolking voeden. Een veel geciteerde verordening uit 1501 beweerde dat Holland maar voor een tiende van zijn inwoners graan teelde. De Vries noemt dat een dramatische overdrijving: echte afhankelijkheid van buitenlands graan ziet hij pas rond 1560.14 De IJsselsteden raakten in de zestiende eeuw achterop. De IJssel verzandde, en grote schepen konden de steden moeilijker bereiken.3

Brood van ver, boter van dichtbij

Amsterdam groeide uit tot de stapelplaats van het Oostzeegraan, vooral na 1540. Van daaruit ging het graan naar het Hollandse binnenland en verder Europa in.15 Rond 1560 was de aanvoer vijf à zes keer zo groot als in 1500, en pas toen hing het noorden echt af van graan van ver.14 Tussen 1562 en 1599 ging er jaarlijks gemiddeld 50.000 last graan door de Sont, voor driekwart op Nederlandse schepen.16 De prijzen op de Amsterdamse korenbeurs werden een richtsnoer voor de rest van Europa. Een groot deel van het graan werd doorverkocht, maar veel werd hier als brood en bier geconsumeerd.25 Rond 1650 voedde buitenlands graan ruim de helft van het miljoen inwoners van Holland, Utrecht, Friesland en Groningen.17 Kooplieden noemden deze handel de moedernegotie: de moeder van alle handel.3,9 Bieleman tekent daarbij aan dat de tijdgenoten die deze naam gebruikten niet helemaal onbevooroordeeld waren.13

Omdat het brood van elders kwam, konden Hollandse boeren hun natte land als weide gebruiken. Ze hielden koeien en maakten boter en kaas. Ze teelden gewassen als hennep en staken turf voor de stedelijke haarden en brouwerijen. Veel boerengezinnen visten of voeren er ook bij.6 Door het Oostzeegraan bleef graan relatief goedkoop: tussen 1500 en 1650 werd rogge ruim vijf keer zo duur, boter ruim zeven keer. Elders in Europa liep die verhouding juist andersom.13 Voor een boer op natte grond werd het daardoor steeds aantrekkelijker om zich te specialiseren in veehouderij en zuivel.

Specialisatie en de prijs van de keten

Waarom was die graanhandel zo belangrijk? De Vries wijst erop dat specialisatie zonder handel niet kan: niemand kan alleen van boter, kaas en kool leven, en van hennep, meekrap en koolzaad al helemaal niet. Volgens hem greep het Hollandse platteland een kans die het voor een deel zelf had geschapen: de vraag van boeren en stedelingen naar graan hielp de handel op gang, en die handel maakte verdere specialisatie mogelijk.23 Het platteland was in deze visie dus geen passief achterland van de stad, maar een actieve partner in de commercialisering van de economie.

Die specialisatie had elders een prijs. In Polen bouwden edelen grote landgoederen op, gericht op de export van graan, en dwongen ze de boeren in de horigheid. De groei van de Hollandse steden rustte zo op het werk van honderdduizenden horige boeren en miljoenen hectares grond in Oost-Europa.16

Specialisatie maakte Holland welvarend, maar ook kwetsbaar. Was de Sont dicht door oorlog of ijs, of mislukte de oogst aan de Oostzee, dan steeg de broodprijs. In 1536 veroorzaakte een blokkade van de Sont graanschaarste, en ook 1557 en 1566 waren hongerjaren.24 In 1565 volgde op een strenge winter een sluiting van de Sont door de Deense koning. Pas eind juni ging de doorvaart weer open. Intussen was het graan in de Nederlanden flink duurder geworden, en stadsbesturen probeerden haastig voorraden in te slaan.18 Zulke crises lieten zien dat de voordelen van internationale arbeidsdeling gepaard gingen met een nieuwe afhankelijkheid.

Globalisering van het voedsel is dus niets nieuws. Al vijf eeuwen geleden hing het brood van een Hollandse ambachtsman af van een oogst in Polen, een schip in de Sont en een koopman in Amsterdam.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer betekende de stad een afzetmarkt. In het oosten bracht hij graan, vee en boter naar de jaarmarkt van Deventer of Zutphen. In Holland verkocht hij boter, kaas en turf, en hoefde hij geen graan meer te telen op grond die daar steeds minder geschikt voor was. Maar hij werd ook afhankelijk van prijzen die hij zelf niet bepaalde.

De koopman

Voor de koopman was de Oostzee een kans op winst. Hij verbond verre oogsten en visgronden met monden thuis. Zijn belang was een open zee en vrije doorvaart. De Hanze gaf hem bescherming en voorrechten, maar sloot concurrenten liever buiten. Daar stonden risico's tegenover: storm, ijs, kapers en oorlog.

Het stadsbestuur

Voor het stadsbestuur was betaalbaar brood een kwestie van rust en orde. Het hield graanvoorraden aan en greep in als de prijzen te hoog werden. Voedselzekerheid was toen al een taak van de overheid. Tegelijk wilde het de handel niet hinderen, want die bracht de stad haar welvaart. Dat evenwicht was moeilijk te bewaren.

De stedeling

Voor de ambachtsman of arbeider ging een groot deel van het loon op aan brood en bier. Een mislukte oogst ver weg kon thuis honger betekenen. Hij merkte de wereldmarkt aan zijn eigen tafel. Hij had geen akker om op terug te vallen, zoals zijn grootouders op het platteland misschien nog wel hadden.

De boer

Voor de boer betekende de stad een afzetmarkt. In het oosten bracht hij graan, vee en boter naar de jaarmarkt van Deventer of Zutphen. In Holland verkocht hij boter, kaas en turf, en hoefde hij geen graan meer te telen op grond die daar steeds minder geschikt voor werd. Specialisatie bracht hem een hoger inkomen, maar ook een nieuwe afhankelijkheid: van de broodprijs, van de vraag naar zuivel en van prijzen die op markten ver weg werden bepaald.

De koopman

Voor de koopman was de Oostzee een bron van winst. Hij verbond verre oogsten en visgronden met de monden thuis. Zijn belang was een open zee en vrije doorvaart. De Hanze gaf haar leden bescherming en voorrechten, maar hield concurrenten liever buiten; de Hollanders moesten hun toegang bevechten. Daar stonden grote risico's tegenover: storm, ijs, kapers, tollen en oorlog.

Het stadsbestuur

Voor het stadsbestuur was betaalbaar brood een kwestie van rust en orde. Het hield graanvoorraden aan en greep in als de prijzen te hoog werden. Voedselzekerheid was toen al een taak van de overheid. Tegelijk wilde het bestuur de handel niet hinderen, want die bracht de stad haar welvaart en belastinginkomsten. Tussen ingrijpen in de markt en vertrouwen op de markt een evenwicht vinden, bleef een lastige opgave.

De stedeling

Voor de ambachtsman of arbeider ging een groot deel van het loon op aan brood en bier. Een mislukte oogst ver weg of een gesloten Sont kon thuis honger betekenen, zoals in 1557 en 1566. Hij merkte de wereldmarkt aan zijn eigen tafel. Hij had geen akker om op terug te vallen, zoals zijn grootouders op het platteland misschien nog wel hadden.

Trivia
Om over te praten

Holland koos al vijf eeuwen geleden voor brood van ver en specialisatie dichtbij. Hoe afhankelijk willen we nu zijn van voedsel uit andere landen?

Bronnen
  1. P. Brood e.a., Atlas van negen Hanzesteden (2023), inleiding en kaarttekst Mastenbroekerpolder, fragment. ↩
  2. G. Boon, recensie van W. Bloemink e.a., De Waag in Deventer. 475 jaar geschiedenis, BMGN – Low Countries Historical Review 119 (2004), link. ↩
  3. J. van Duijl, 'Gevangen in het handelsnetwerk van de Hanze. De koopvaardij van de IJsselsteden in het Oostzeegebied in de zestiende eeuw', Tijdschrift voor Zeegeschiedenis 36 (2017), link. ↩
  4. P. Krug, 'De Hanze herleeft', Streven 49 (1981–1982), link. ↩
  5. W. Gijsbers, 'Een enkele reis over de ossenwegen', Tijdschrift voor Historische Geografie (2002), link. ↩
  6. W. Blockmans, 'The economic expansion of Holland and Zeeland in the fourteenth–sixteenth centuries', in: E. Aerts e.a. (red.), Studia Historica Oeconomica. Liber amicorum Herman Van der Wee (1993), link. ↩
  7. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 86–87 en 90 (tabellen 3.1 en 3.2). ↩
  8. D. Walsh, 'Holland', in: G. Oliver (red.), The Oxford Companion to Beer (2012), link. ↩
  9. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 169. ↩
  10. B. Lambert, recensie van A. van der Zee, De Wendische Oorlog, BMGN – Low Countries Historical Review 135 (2020), link. ↩
  11. Wikipedia, 'Treaty of Copenhagen (1441)' (geraadpleegd 2026), link). ↩
  12. F. Dekker, 'Voetspoor der vaderen', Neerlandia 37 (1933), link. ↩
  13. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 36. ↩
  14. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 71. ↩
  15. P.W. Klein, recensie van M. van Tielhof, The 'Mother of All Trades', BMGN 118 (2003), link. ↩
  16. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 170–171. ↩
  17. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 172. ↩
  18. Universiteit Leiden, 'Chronology of the Economic Crisis, 1565–1566', The Dutch Revolt (geraadpleegd 2026), link. ↩
  19. P. Ekamper, 'De summiere staat van Holland: een volkstelling van 400 jaar geleden', Demos 38:8 (2022), link. ↩
  20. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, MaSS: OZ 36 cog (geraadpleegd 2026), link. ↩
  21. Oostende voor Anker, 'Kamper Kogge' (geraadpleegd 2026), link. ↩
  22. Rijksuniversiteit Groningen, 'Sonttolregisters online' (2012), link; database: soundtoll.nl. ↩
  23. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 164–165.
  24. J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (New Haven/Londen 1974), p. 110 en 261 (noot 42).
  25. J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture, 1500–2000 (Wageningen 2010), p. 37.

Verder lezen